Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigene gerechtigheid gestreefd. Maar toen het Gode behaagd had, zijnen Zoon in hem te openbaren, zag hij het ijdele van dit pogen in en zocht hij zijne gerechtigheid alleen bij God in Christus Jezus. Toch blijft Paulus ook als Christen aan het forensische schema getrouw. Niet dit bestrijdt hij, dat God rechtvaardig is, en dat de zaligheid alleen in den weg der gerechtigheid verkregen kan worden. Maar sedert hij tot het geloof gekomen is, verschilt hij van zijne vroegere medegenooten in de wijze, waarop de gerechtigheid en zaligheid ons eigendom kan worden. Hij bestrijdt het Joodsche nomisme, omdat vanwege de zonde uit de werken der wet geen vleesch meer gerechtvaardigd kan worden, Rom. 3:20, 8:3, Gal. 2: 16, omdat de mensch dan toch altijd knecht zou blijven en tegenover God op verdienste zich zou kunnen beroemen, Rom. 4:2, 5, Gal. 3 : 24—26, 4 :1—7, verg. 1 Cor. 1: 29, 4:7, omdat m. a. w. de mensch dan leven en werken zou voor zijn eigen belang en God daaraan dienstbaar zou maken. Paulus verwerpt dus het nomistisch, ethisch beginsel, en neemt met beide voeten het religieuze standpunt in. Maar dat neemt niet weg: de wet op zichzelve is heilig en rechtvaardig en goed, Rom. 7 :12, 14, 1 Tim. 1:8, cf. ook Rom. 3:31, 8:4, 13:8, 10, Gal. 5:14; wanneer er geene zonde ware, zou zij dus ook in den weg der werken het leven hebben kunnen schenken, Rom. 10:5, Gal. 3 :12. Maar wat de wet uit den aard der zaak niet doen kan, dat is vergeving schenken, en daaraan hebben wij juist behoefte. Paulus bestrijdt dus wel het Joodsche nomisme, maar hij handhaaft de gerechtigheid Gods en gaat in zijne heilsleer daarvan uit; hij stelt zich op het theocentrische standpunt, waarbij God er niet is om den mensch, maar de mensch om God, en de gemeenschap met God niet resultaat is van onze inspanning, doch Gods vrije en onverdiende gave.

Ten onrechte wordt daarom het zoogenoemde juridische schema bij Paulus voor een overblijfsel of nawerking van zijn vroeger farizeïsme beschouwd '), of ook aangemerkt als een tijdelijke maatregel van. overgang, die zijne goede diensten bewees, zoolang het Christendom uit het Jodendom zich losmaken moest, maar later alle beteekenis verloren heeft2). En evenmin is het juist, het juridisch bestanddeel

*) Scholten, L. H. K. II 61 v. De vrije wil bi. 223 v. Pfleiderer, Paulinismus2Leipzig 1890 bl. 6 v. 94 v. Holtzmann, Neut. Theol. II 133 en vele auderen zooals Wendt, Titius, Wernle, verg. G. Vos, The alleged legalism in Paul's doctrineof justification, Princeton Theol. Rev. April 1903 bl. 161—179.

*) Zoo Wernle, Die Anfange unserer Religion bl. 187 v. Verg. Vos t. a. p.

Sluiten