Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Paulus' theologie bij het mystische achtertestellen, en aan dit laatste den voorrang toe te kennen r). Want al hangt de leer bij dezen apostel ten nauwste met zijne levenservaring samen, zij stelt toch vooral in den brief aan de Romeinen en de Galaten de gerechtigheid Gods zeer duidelijk op den voorgrond, en beweegt zich geheel en al tusschen de tegenstelling: onze eigene of Gods gerechtigheid, wet of evangelie,# werk of geloof, verdienste of genade. Indien de gemeenschap met God, het leven en de zaligheid eene gave Gods zal blijven, moet zij aan al onze werken voorafgaan en ■daarvan den grondslag en het beginsel vormen. Religie is dan de basis der moraal. Wij hebben God lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft, 1 Joh. 4: 19.

Van dit religieuze standpunt uit ontwikkelt de apostel nu de volgende gedachten. Wijl de wet den mensch vanwege de zonde veroordeelt en hem nooit tot de zaligheid leiden kan, heeft het Gode behaagd, zijne gerechtigheid op eene andere wijze, n.1. zonder wet, Rom. 3:21, tot openbaring te brengen. De term óixaioavvrj ■freov, waarvan Paulus zich hier en elders bedient, Rom. 1:17, 3 : 5, 21, 22, 25, 26, 10 : 3, 2 Cor. 5 : 21, verg. Phil. 3 : 9, Jak. 1: 20, 2 Petr. 1:1, krijgt bij hem een eigenaardigen zin. In het Oude Testament is zij in het algemeen die deugd Gods, waarnaar Hij rechtvaardig en zonder aanzien des persoons oordeelt, den schuldige dus niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig verklaart, maar een iegelijk vergeldt naar zijne werken. Meer in het bijzonder echter duidt zij die eigenschap en handelwijze Gods aan, waarnaar Hij de armen, de ellendigen, die persoonlijk wel •schuldig staan maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in hun recht erkent 2). Maar deze gerechtigheid Gods scheen bij het einde der O. T. oeconomie geheel verdwenen en teloor gegaan; immers was de gansche wereld verdoemelijk voor God, Rom. 3 : 19, uit de werken der wet kon niemand gerechtvaardigd worden, 3: 20, de tevoren geschiede zonden werden door de lankmoedigheid Gods voorbijgegaan, 3:25. Als er dus voor den mensch nog zaligheid mogelijk zou zijn, moest God zijne gerechtigheid op eene andere wijze openbaren, dan Hij in de wet had gedaan. En dat deed Hij door in Christus een ikaarrjQiov, een zoenmiddel of zoenoffer, voor de zonden te geven. Daarin bleek, dat God zelf

l) Verg. J. A. Rust, Paulus mysticus, Theol. Stud. 1910 bl. 349—384.

*) Deel II 221 v.

Sluiten