Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

469. De leer van de rechtvaardigmaking door het geloof alleen werd reeds in Paulus tijd misverstaan en van antinomisme beschuldigd, Rom. 3:8, 31, 6:1, 15 enz.daar waren er, die aan libertinistische practijken zich overgaven en de waarschuwing van Jacobus noodig hadden, dat een dood, werkeloos geloof tot rechtvaardiging ongenoegzaam is, Jak. 2 :14v., en anderen gingen zich, als uit reactie, toeleggen op een nomistisch en ascetisch leven, Rom. 14: lv., Gal. 4 :10, Col. 2 :16, 1 Tim. 4: 3v. De gevaren,' om tot het een of andere uiterste over te slaan, namen later, toen de Christelijke kerk haar standpunt tegenover de vele godsdienstige richtingen en wijsgeerige stelsels in te nemen en te handhaven had, nog aanmerkelijk toe. En spoedig bleek, dat zij daarbij niet ten volle van Heidensche en Joodsche invloeden zich wist vrij te houden; het nomisme drong meer en meer de kerk binnen en veranderde het Evangelie in eene nieuwe wet. Paulinische termen bleven vóór en na in gebruik; de genade behield de eerste plaats en het geloof werd onmisbaar tot de zaligheid geacht; bij sommige kerkelijke schrijvers, zooals Clemens, Ignatius, Tertullianus, Ambrosius, Augustinus en nog meer in de liturgische gebeden komen treffende getuigenissen over den rijkdom van Gods genade en de onverdiende vergeving der zonden voor »). Maar deze evangelische gedachten wisselen spoedig af met of maken zelfs geheel en al plaats voor de beschrijving van het Christelijk leven als een volbrengen van Gods geboden, uoxrj jitv mang, rfAog óe ciyaTirj 2); geloof en werken baanden den weg naar den hemel.

Op deze ontwikkeling had de doopsbeschouwing een grooten invloed. Wijl de doop alleen op de vergeving der verledene zonden betrekking had en vele Christenen ook na den doop aan velerlei, zelfs zware zonden, zich schuldig maakten, moest er voor deze Christenen, tenzij men ze voorgoed van de gemeenschap der kerk en de eeuwige zaligheid wilde uitsluiten, wel een tweede redmiddel gevonden worden. En dit bestond in boetedoeningen en goede werken, die vooral onder invloed van Tertullianus een satisfactorisch, resp. een meritorisch karakter aannamen, en na eene

bl. 510-572. Cremer, óixuioavvrj. Weiszacker, Das apost. Zeitalter2. 1890 bl. 143 v. H. Beek, Die óixceioavvrj ,'Hov bei Paulus, Jahrb. f. d. Theol. 1894 bl. 249—261. E. Kiihl, Rechtfertigung auf Grund des Glaubens und Gericht nach den Werken bei Paulus. Königsberg 1904.

') Verg. J. Buchanan, The doctrine of justification, Edinb. 1867 bl. 77 v. *) Ignatius, Eph. 14, 1.

Geref. Dogmatiek IV. 1 „

Sluiten