Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lange ontwikkeling tot het Roomsche sacrament der boete hebben geleid 1). In dit sacrament wordt wel na contritio (attritio) cordis en confessio oris de schuld der zonde en de eeuwige straf kwijtgescholden, maar blijft de geloovige tot het dragen der tijdelijke straffen en tot het volbrengen der opgelegde goede werken (satisfactio operis) verplicht. Tot deze taak is hij echter bekwaam, doordat hij in den doop of anders (indien hij de genade door eene doodzonde verloren heeft) in de boete niet alleen vergeving der schuld, maar ook door infusio gratiae uitroeiing der zondesmet en zondemacht ontving. Beide weldaden hangen bij Rome ten nauwste saam. Ze zijn niet hetzelfde, want het Trentsche concilie verklaarde uitdrukkelijk, dat de rechtvaardigmaking non est sola peccatorum remissio, sed et sanctificatio et renovatio interioris hominis per voluntariam susceptionem gratiae et donarum 2); maar ze gaan feitelijk toch altijd samen en zijn onverbrekelijk aan elkander verbonden. In het afgetrokkene laat het zich misschien denken, dat God den mensch de zonden vergaf, zonder hem op te nemen in den staat der bovennatuurlijke genade, wijl deze immers het karakter van een donum superadditum draagt. Maar in concreto is voor die scheiding geene plaats. Er is thans in de orde des heils geene vergeving der zonde zonder herstel in den genadestaat; God kan de zonden niet vergeven zonder infusio gratiae. Zelfs is het gevoelen van Scotus en de zijnen, dat de infusio gratiae niet krachtens haar eigen natuur, maar alleen krachtens eene Goddelijke beschikking de vergeving der zonden medebrengt, tegenwoordig zoo goed als algemeen verworpen, en daarentegen de meening van Thomas als de juiste erkend, volgens welke de gratia habitualis de ziel sanat vel justificat, en er geene remissio culpae kan bestaan, zonder dat de infusio gratiae aanwezig is 3).

Ofschoon het Trentsche concilie in deze quaestie geene formeele beslissing nam, sprak het toch uit, dat de eenige formalis causa van onze rechtvaardigmaking de justitia Dei is, non qua ipse justus est, sed qua nos justos facit, qua videlicet ab eo donati, renovamür spiritu mentis nostrae et non modo reputamur, sed vere justi nominamur et sumus, justitiam in nobis recipientes 4). De rechtvaardigmaking

*) Verg. boven bl. 139.

2) Conc. Trid. sess. VI c. 7. Volgens Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 60 bestaat er tusschen beide zelfs een reëel verschil.

") Thomas, S. Theol. I 2 qu. 111 art. 2. qu. 113 art. 2.

4) Conc. Trid. sess. VI c. 7.

Sluiten