Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog vermengd met allerlei voorstellingen, welke Luther later herzien of prijsgeven zal; hij denkt er bijv. nog niet aan, om tegen het gezag der kerk in verzet te komen. Maar hij keert zich toch reeds met groote beslistheid tegen de Middeleeuwsche scholastiek en de philosophie van Aristoteles, critiseert allerlei kerkelijke toestanden «n practijken inzake aflaten, vasten, heiligen vereering, feestdagen, durft ook reeds tegen pausen en bisschoppen zijne stem verheffen, trekt de juistheid der onderscheiding tusschen peccata mortalia en venialia in twijfel, houdt de erfzonde niet louter negatief voor een verlies van het donum superadditum, maar ook positief voor een bederf der menschelijke natuur, dat in dit leven nooit geheel wordt uitgeroeid enz. Maar het oorspronkelijke, dat in dezen commentaar •op de Romeinen aan het licht treedt en dat later beginsel en drijfkracht van de Reformatie zal worden, concentreert zich toch vooral om de tegenstelling van zonde en genade, wet en Evangelie, werken en geloof, eigen en Gods gerechtigheid.

De kern van het Evangelie is toch daarin gelegen, dat God in Christus eene andere gerechtigheid heeft geopenbaard dan welke in de wet van ons werd geëischt; Hij heeft thans in den tijd der'genade zonder wet, dat is sine necessitate legis habendae, i. e. sine adjutorio legis et operum ejusdem eene gerechtigheid geopenbaard, non qua Deus justus est, sed qua induit hominem, cum justificat impium, eene justitia, qua Deus justificat nos 1). Gerechtigheid en ongerechtigheid hebben dus in de Schrift eene gansch andere beteekenis dan bij de philosoPhen en juristen; dezen denken daarbij aan eene qualiteit der ziel sed justitia Scripturae magis pendet ab imputatione Dei, quam ab esse rei -). Rechtvaardigen beteekent in de Schrift justum reputare, accepto ferre, non imputare peccatum, remittere impietatem, justitiam dare per reputationem sine operibus, imputare justitiam 3). Zoozeer staat deze daad Gods in het werk der zaligheid op den voorgrond, dat Luther van de woorden in Rom. 5 : 10, toen wij vijanden waren, ook deze verklaring mogelijk acht: cum infirmi essemus secundum tempus, licet jam coram Deo essemus in predestinatione justi. Quia in predestinatione Dei omnia facta jam sunt, quae in rebus adhuc futura sunt 4).

') Luthers Yorlesung über dem Römerbrief 1515/1516 ed. Joli. Ficker I 32

2) t. a. p. II 121.

") t. a. p. I 20, 38 II 113. 119.

4) t. a. p. II 141, verg. 124: onze gerechtigheid in ipso (Deo) et consilio ejus 4ota pendet.

Sluiten