Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze rechtvaardiging gaat geheel en al buiten de werken omr buiten alle werken vóór en na het geloof. Immo nee opera precedentia nee sequentia justificant, quanto minus opera legis! Precedentia quidem, quia preparant ad justitiam, sequentia vero, quia requirunt jam factam justificationem 1). Wij worden niet gerechtvaardigd om en door, maar tot goede werken; het is alleen de genade, die ons rechtvaardig maakt; non enim justa operando justi efficimur, sed justi essendo justa operamur. Ergo sola gratia justificat 2). Bij God rechtvaardig zijn en bij God gerechtvaardigd worden zijn een en hetzelfde; non enim quia justus est ideo reputatur a Deo, sed quia reputatur a Deo, ideo justus est3). De persoon gaat toch aan de werken vooraf, evenals de boom aan de vruchten; God neemt den persoon niet aan om de werken, maar de werken om den persoon, prius personam quam opera 4). De weg, waarin de rechtvaardiging ons deel wordt, kan dus geen andere zijn dan die van het geloof. Daaronder verstaat Luther het gelooven van God op zijn woord. Hij onderscheidt n.1. eene justificatio Dei passiva en activa, en denkt bij de eerste daaraan, dat God door ons, als wij Hem geloóven op zijn woord, gerechtvaardigd wordt. God zegt ons in dat woord twee dingen : ten eerste, dat wij zondaren zijn, dat er in ons geene gerechtigheid is, en dat wij ze ook niet door werken verkrijgen kunnen, en ten tweede, dat wij toch gerechtvaardigd kunnen worden en voor God rechtvaardig kunnen zijn door de gerechtigheid, welke Hij zonder werken in het Evangelie heeft geopenbaard.

Het geloof sluit dus twee dingen in: het geloof, dat wij zondaren zijn, en het geloof, dat God ons om Christus1 wil uit genade rechtvaardigt. Ook het eerste hebben wij aan te nemen, niet omdat wij het zelf ervaren, maar omdat God het zegt; etsi nos nullum peccatum in nobis agnoscamus, credere tarnen oportet, quod sumus peccatores. Unde Apostolus: nihil mihi conscius sum, sed non in hoe justificatus sum. Quia sicut per fidem justitia Dei vivit in nobis, ita per eandem et peccatum vivit in nobis, i.e. sola fide credendum est nos esse peccatores, quia non est nobis manifestum, immo sepius non videmur nobis conscii. Ideo judicio Dei standum et sermonibus ejus credendum, quibus nos injustos dicit,.

l) t. a. p. II 91.

*) ib.

a) t. a. p. I 20.

<) t. a. p- II 103—104.

Sluiten