Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quando impios justificat at gratiam infundit sive quando justus esse in suis verbis creditur. En zoo wordt God justus effective in nobis laudabilis, quia nos sui similes facit1).'Het rechtvaardigen wordt door justum reputare enz., maar soms in denzelfden zin en bij afwisseling door justum facere, perficere ac absolvere justum ac justitiam omschreven2). De dood van Christus is de dood der zonde en zijne opstanding is het leven der gerechtigheid, omdat Hij door zijne zonde voor de zonde voldeed en door zijne opstanding ons gerechtigheid aanbracht. Zijn dood beteekent dus niet alleen, maar bewerkt ook de vergeving der zonde, etiam facit remissionem peccati. En zijne opstanding is niet alleen een sacramentum justitiae nostrae, sed etiam efficit eam in nobis 3). Al ons goed is buiten ons in Christus, extrinsecum nobis est bonum nostrum, quod est Christus, maar dat alles is ook in ons door het geloof en de hoop op Hem 4). Zoo kan Luther dan ook nog zeggen, dat onze zonde bedekt wordt per Christum in nobis habitantem 6), dat God de geloovigen rechtvaardigt, omdat zij hunne zonden belijden en bij Hem hunne gerechtigheid zoeken6).

Maar men zou toch verkeerd doen, wanneer men hieruit afleidde, dat Luther de gerechtigheid zelve, welke de grond der rechtvaardiging is, in de geloovigen stelde. Zijne bedoeling is duidelijk eene andere. De eigengerechtige n.1., die door de werken gerechtvaardigd wil worden, gelooft God niet op zijn woord, rechtvaardigt God niet maar onteert Hem en maakt Hem tot een leugenaar; hij vernedert zich niet en erkent zich niet als zondaar; hij zoekt niet gerechtvaardigd te worden en verlangt niet naar gerechtigheid, maar gelooft, dat hij ze reeds bezit. Gansch anders is het gesteld met de geloovigen, niet alleen bij den aanvang, maar ook altijd heel hun leven door, tot in den dood toe. Zij zeggen niet tot God: wij kunnen en zullen doen, wat Gij in uwe wet beveelt, maar belijden veeleer: wij hebben niet gedaan en wij kunnen niet doen, wat Gij beveelt, maar da, quod jubes, geef Gij ons het willen en kunnen! De eigengerechtige adeptam confidit justitiam, de geloovige pro acquirenda suspirat 7). De geloovige is wel in beginsel

!) t. a. p. II 59-61.

2) t. a. p. II 60—94.

3) t. a. p. II 129—130.

*) t. a. p. II 114—115.

5) t. a. p. II 113.

6) t. a. p. II 105 regel 20. 113, 21. 118, 30. 121, 14. 123, 12.

'J t. a. p. II 99.

Sluiten