Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De regeneratio wordt nu eens gelijk gesteld met het ex injustos justos effici. met den troost en de levendmaking, welke het geloof, dat de vergeving der zonden aanneemt, schenkt; dan weder opgevat als het nieuwe leven en de spirituales motus, welke de H. Geest, dien wij, nadat wij gerechtvaardigd zijn, door het geloof ontvangen, in onze harten plant 1).

Maar de polemiek met Rome, en later ook in eigen kring met •Osiander en Stancarus, met Major en Amsdorf drong tot scherper begripsbepaling en tot eene meer logische orde. Men volgde daarbij Melanchton, die sedert 1529 meer en meer aan de justificatie eene uitsluitend juridische beteekenis toekende. In de Apologie heette het al, dat de Schrift dezen term ook bezigt in den zin van justum pronuntiare seu reputare; als Jakobus van de rechtvaardiging uit de werken spreekt, handelt hij niet van de modus justificationis, maar beschrijft hij, quales sint justi, postquam jam sunt justificati ■et renati. Et justificari significat hic non ex injusto justum effici, sed usu forensi justum pronuntiari; evenzoo heeft rechtvaardigen in Rom. 5:1 forensi consuetudine de beteekenis van reum absolvere et pronuntiare justum, en wel overeenkomstig eene reeds door Luther gebezigde uitdrukking 2), propter alienam justitiam, videlicet ■Christi, quae aliena justitia communicatur nobis per fidem. Wijl die gerechtigheid van Christus ons toegerekend of geschonken wordt per fidem, daarom is dat geloof justitia in nobis imputative, id est, est id, quo efficimur accepti Deo propter imputationem et ordinationem Dei 3). In dit voetspoor voortgaande, verwierp de Formula Concordiae het gevoelen van Osiander en Stancarus, evenals ook dat van Major en Amsdorf, en beleed, dat 1° het geloof alleen, hetwelk echter geen nuda notitia historiae de Christo is, maar eene gave Gods en een waarachtig, levend geloof, het medium et instrumentum is, waardoor wij Christus als onzen Zaligmaker aannemen «n in Hem die gerechtigheid bezitten, waarmede wij voor God kunnen bestaan; 2° dat God, door het geloof ons schenkende en toerekenende de justitia obedientiae Christi, ons alleen om die gerechtigheid van

verstaan van de later zoogenoemde justificatio activa, dat is van de rechtvaardiging in het oordeel Gods.

*) Muller, t. a. p. bl. 98, 100 vergeleken met bl. 109, 110, 146 enz.

2) Ficker, Luthers Vorlesung über den Römerbrief II 2 regel 8—11, 114 regel 25, 115 regel 12. Verg. verder de verhandeling van Otto Ritschl t. a. p. bl. 325.

3) Müller, t. a. p. bl. 100, 130—131, 139—140. Verg. verder Melanchton, Corpus •doctr. Christ. 1561 bl. 240 v. 414 v. 685 v.

Sluiten