Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus, met uitsluiting van alle voorafgaande, tegenwoordige of navolgende werken, de zonden vergeeft, in genade aanneemt en voor rechtvaardigen rekent; en dat 8°, ofschoon de antecedens contritio et subsequens nova obedientia ad articulum justificationis coram Deo non pertinent, het rechtvaardigend geloof toch nooit sola is, maar steeds met liefde en hoop gepaard gaat en door goede werken gevolgd wordt J).

De Luthersche dogmatiek bracht hierin deze verandering, dat de loei der heilsorde aanmerkelijk werden uitgebreid 2), maar ze hield in den eersten tijd toch streng aan het sine meritis justificari vast. Naarmate echter in de zeventiende eeuw de belijdenis der praedestinatie prijsgegeven en het geloof min of meer als een werk des menschen opgevat werd, maakte de genade-ordening voor de loonordening, het Evangelie voor de wet, het geloof voor de werken plaats. Pietisme en rationalisme dreven, schoon uit verschillende belangen, in dezelfde richting. Schleiermacher vatte de rechtvaarcliging als keerzijde der bekeering en als deel der wedergeboorte op, en maakte haar feitelijk afhankelijk van het nieuwe leven in de gemeenschap van Christus; de VermitteluDgstheologen corrigeerden hem wel in zooverre, dat zij de rechtvaardiging handhaafden als eene objectieve daad Gods, maar zij lieten deze toch geschieden op grond van de ingestorte gerechtigheid van Christus, welke de toekomstige volmaaktheid der geloovigen waarborgt; zelfs Hengstenberg onderscheidde trappen in de rechtvaardigmaking en maakte ze in hare voltooiing van de liefde en de goede werken afhankelijk 3). Eerst Ritschl vestigde wederom op de objectieve beteekenis der rechtvaardiging de aandacht, en vatte ze daarom op als een synthetisch oordeel, dat aan de goede werken voorafging. Maar hij liet haar begrepen zijn in Jezus' prediking van de liefde Gods, beschouwde ze als een goed der gemeente, waaraan de enkele deel kreeg door zich bij de gemeente te voegen, en sneed dus haar verband door, eenerzijds met de satisfactio van Christus en andererzijds met de heilsverzekerdheid van den Christen; ze werd dus feitelijk weer, evenals bij Schleiermacher, eene religieuze ervaring, eene wegneming van het schuldbewustzijn, en hield op te zijn een

l) Muller, t. a. p. bl. 527—530, 611—624.

") Verg. deel III 551, 592.

") \ erg. deel III 634. Over Hengstenberg verg. men ook Philippi, Kirchl. G1 V 1 bl. 215 v. 298.

Sluiten