Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

objectief oordeel, dat God uit genade over den zondaar uitspreekt en waardoor Hij hem van de schuld bevrijdt 1). Deze voorstelling van de rechtvaardigmaking vond niet alleen ingang bij de volgelingen van Ritschl, maar oefende ook buiten dien kring grooten invloed uit. Dorner bracht de rechtvaardigmaking ten nauwste met de objectieve verzoening in Christus in vérband en zag derhalve in het geloof slechts het ontvangend orgaan van de van Gods zijde reeds geschonken vergeving 2). En anderen, zooals H. Cremer, E. Cremer, Althaus gaven haar zulk eene beteekenis, dat de wedergeboorte als eene bijzondere weldaad daarnaast geheel verdween en nog slechts als eene door het geloof bewerkte vernieuwing des levens gehandhaafd werd 3).

471. In de leer der rechtvaardigmaking is er zakelijk tusschen de Luthersche en de Gereformeerde theologie geen verschil, maar in de laatste neemt zij toch eene andere plaats in en krijgt zij een ander accent 4). Dat komt ten eerste daarin uit, dat Luther de praedestinatie steeds verder terugdrong, Calvijn daarentegen ze steeds meer in het middelpunt plaatste en van daaruit ook de rechtvaardigmaking bezag. Dominus, dum nos vocat, justïficat, glorificat, nihil aliud quam aeternam suam electionem declarat 5), het zijn de electi, die gerechtvaardigd worden °). Het is volkomen juist, dat Calvijn daarom toch nooit de objectieve voldoening van Christus noch ook de weldaad der rechtvaardigmaking verzwakt 7), maar er hangt toch wel mede samen, dat de gerechtigheid van Christus ons veel meer voorgesteld wordt als eene gave, door God ons geschonken, dan als een goed, dat wij door het geloof aannemen; de objectieve schenking gaat aan de subjectieve aanneming vooraf8). Ten andere handhaaft Calvijn het sine meritis justificari niet alleen om de beide motieven, ontleend aan de genoegzame verdiensten van Christus en den troost der geloovigen, maar niet minder sterk om het motief der gloria Dei.

Verg. deel III 634 v.

2) Dorner, Syst. der Chr. Glaubenslehre II 757.

3) Verg. boven bl. 67.

4) E. F. Karl Müller, Symbolik. Erlangen 1896 bl. 472 v.

5) Verg. deel III 594.

<■) Calvijn, Inst. III 13, 2.

^ Liittge, Die Rechtfertigungslehre Calvins 1909 bl. 92, 93. «) Calvijn, Inst. III 11, 1, 7, 17, 18 enz.

Sluiten