Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Calvijn voelt zich als in de tegenwoordigheid Gods en geplaatst voor zijn rechterstoel; en opziende tot de heiligheid en de majesteit Gods, durlt hij bij den nietigen, zondigen mensch van geen eigen werken, van geen verdienste, van geen roemen in zichzelven meer spreken. Integendeel, aan zulk een mensch voegt niets anders dan de humilitas en een vertrouwen op Gods barmhartigheid: de uitverkorenen worden door God met dat doel gerechtvaardigd, dat zij in Hem en niet in iets anders zouden roemen 1). En ten derde maakt Calvijn, inzonderheid tegen Osiander, een scherp onderscheid tusschen justificatio en sanctilicatio, want de eerste is eene zuiver forensische daad; maar hij scheidt ze geen oogenblik en houdt ze steeds met elkander in allernauwst verband. Christus kan toch niet gedeeld worden, evenmin als het licht en de warmte in de zon, die echter beide toch eene onderscheiden werking uitoefenen ") ■ Christus rechtvaardigt niemand, dien Hij niet tegelijk heiligt. Wij worden daarom niet per opera, maar ook niet sine operibus gerechtvaardigd3); ja wij beschouwen Christus niet van verre, opdat zijne gerechtigheid ons zou toegerekend worden, sed quia ipsum induimus et insiti sumus in ejus corpus, unum denique nos secum efficere dignatus est, ideo justitiae societatem nobis cum eo esse gloriamur Zoo behield de rechtvaardiging bij Calvijn wel haar plaats en waarde, maar zij werd toch niet het een en al in de heilsorde; zij kwam in te staan tusschen de verkiezing en de gave van Christus aan de eene, en de heiligmaking en verheerlijking aan de andere zijde; ze was medius quidam transitus ab aeterna praedestinatione ad futuram gloriam 5).

Maar ofschoon Calvijn ook in de leer der justificatie zijne zelfstandigheid bewees, hij loste toch de moeilijkheden niet op, welke bij dit artikel des geloofs zich voordoen. Met name geldt dit de verhouding, waarin de rechtvaardiging eenerzijds tot verkiezing en voldoening en anderzijds tot heiligmaking en heerlijkmaking staat. Als de rechtvaardiging eene plaats inneemt tusschen beide, bestaat

1) Calvijn, Inst. III c. 12, verg. Lüttge t. a. p. bl. 76—82.

2) Calvijn, Inst. III 11, 6, 11, 24, 14, 9.

3) Calvijn, Inst. III 16, 1.

4) Calvijn, Inst. III 11, 10. Verg. deel III 599.

■') Lüttge, t. a. p. bl. 102. De onjuiste, ethische en eschatologische opvatting van Calvijns rechtvaardigingsleer door Schneckenburger en M. Schultze wordt door Lüttge afdoende weerlegd, bl. 36, 56, 67, 70, 85, 89, en de invloed van Butzer op Calvijn tot de juiste proportiën herleid, bl. 83.

Geref. Dogmatiek IV. 1 .

Sluiten