Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nomisme verworpen, dat de weldaad der vergeving eerst tot stand liet komen door het geloof, de bevinding of de bekeering van den mensch; maar andererzijds was men tegen het antinomisme op zijne hoede en verwierp men schier eenparig de leer eener eeuwige rechtvaardigmaking 1). Zoo nam men dan gemeenlijk aan, dat, indien er al met eenig goed recht van eene rechtvaardiging in het besluit Gods, in de opstanding van Christus, in het Evangelie gesproken kon worden, de justificatio activa toch eerst plaats had in de vocatio interna, vóór en tot het geloof; dat echter de bekendmaking daarvan, de intimatio of insinuatio in het bewustzijn of m. a. w. de justificatio passiva alleen tot stand kwam door en uit het geloof2). Men beijverde zich daarbij, om beide deelen zoo innig

!) Aldus de Westminster confessie XI 4, bij F. K. Miiller, Die Bekenntnisschriften der ref. Kirche bl. 568, cf. Mitchell, The Westminster Assembly, its history and standards. London 1883 bl. 149—156. Alsted, Encyclopaedia 1630 bl. 1622. Maccovius, Loei O. bl. 676. Voetius, Disp. V 281. Heidegger, Corpus Theol. XXII 79. Mastricht, Theol. VI 6, 18. Turretinus, Theol. El. XVI 9 enz. Ook voor Comrie, Holtius, Brahe was het van ondergeschikt belang, of men de rechtvaardiging eeuwig wilde noemen. Zij namen wel aan, dat het richterlij k oordeel over de uitverkorenen als actus immanens in God eeuwig was en van zijn wezen onafscheidbaar; maar ten eerste achtten zij het vrij onverschillig, of men dezen actus immanens reeds met den naam van rechtvaardigmaking wilde aanduiden, mits de zaak maar vaststond, Brahe, Godg. stellingen over de leer der rechtv. Nieuwe uitgave Amsterdam 1833 bl. 26, 28. Ten tweede namen zij wel eene rechtvaardigmaking van eeuwigheid aan, wijl alle actus immanentes in God, dus ook bijv. de schepping eeuwig zijn, maar niet met uitsluiting van die in den tijd. Integendeel de rechtvaardigmaking, die als weldaad vastligt in Gods raad, realiseert zich in den tijd: in de opstanding van Christus, in het Evangelie, in de toepassing aan elk uitverkorene te zijner tijd, Comrie, Brief over de regtv. des zondaars. Nieuwe uitgave Utrecht 1889 bl. 91 v. En ten derde verklaarden zijuitdrukkelijk, dat de hoofdzaak voor hen hierin gelegen is, of de toerekening van Christus' gerechtigheid onmiddellijk of middellijk is, of ze vóór het geloof gaat of daarop volgt, of ze enkel en alleen eene vrije, souvereine daad Gods is, dan wel of ze op eenigerlei wijze door medewerking van den mensch, bijv. door het vervullen van de voorwaarde des geloofs, tot stand komt, Bralie, t. a. p. 20 v. Comrie, t. a. p. 120 v. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. Voorrede voor de zevende Samenspraak bl. 4 v.j en voor de tiende bl. 44 v. enz.

2) Aldus de bovengenoemde theologen en vele anderen, zooals Ursinus, Piscator, Bucanus, Owen, Trigland, Leydecker, Hoornbeek, Holtius, verg. Moor, Comm. IV 658 v. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. bl. 402 v. In de Geref. confessies wordt evenals bij Calvijn de rechtvaardigmaking zoo omschreven, dat wij de gerechtigheid, de verdiensten van Christus, of ook de justificatie zelve door liet geloof ontvangen, zie Muller, t. a. p. 57, regel 6, 128, 1—5. 192, 6, 225, 37—39, 281, 41—43, 568, 20—24, 620, 44.

Sluiten