Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onszei ven geplaatst; dan wordt God van zijne eere beroofd, want als de mensch gerechtvaardigd wordt uit de werken, heeft hij roem en is geheel of gedeeltelijk de werkmeester van zijne eigene zaligheid. Door deze drie motieven bewogen, trad de Reformatie tegen Rome op en beleed zij met groote eenstemmigheid, dat de genade G-ods de eenige causa impulsiva et efiiciens van onze gansche zaligheid was. En onder die genade verstond zij niet eene of andere metaphysische qualiteit, welke den mensch, die deed quod in se est, ingestort werd en hem tot een bovennatuurlijken stand verhief (gratia elevans), maar zij dacht daarbij aan de vergevende barmhartigheid en gunste Gods, welke alle doen des menschen voorkomt en hem, vrijwillig en ongehouden, weder in zijne gemeenschap opneemt. Van God en van Hem alleen gaat dus de oprichting van het verbond der genade uit; Hij is het en Hij alleen, die om zijns zelfs wil de overtredingen uitdelgt en onze zonden niet meer gedenkt, Jes. 43: 25; wij worden gerechtvaardigd om niet, uit zijne genade, Rom. 3 : 24, Gal. 3 :18, Ef. 2 : 8, Tit. 3 : 5—7. Meer bepaaldelijk is het dan nog weer de Vader, van wien deze weldaad uitgaat, want Hij is de wetgever en rechter, Jak. 4:12, maar ook de barmhartige God, genadig en groot van goedertierenheid, die de overtredingen uitdelgt om zijns naams wil, Num. 14 :18, Ps. 32 : 2, 103 : 3, 130 : 4, Jes. 43 : 25, Rom. 3 : 24, 4 : 6, 8 : 33, 2 Cor. 5 :19. Hij baande zelf in Christus den weg, om deze weldaad uit te deelen, zoodat deze ook de macht heeft, om de zonden te vergeven, Mt. 9:2-6, Joh. 5:22, 27, en deed zelf den H. Geest van zich uitgaan, om deze weldaad aan de harten zijner kinderen toetepassen, Joh. 14:26, Rom. 8:15, 1 Cor. 6:11. De Gereformeerde theologen drukten dit vroeger aldus uit: Pater justificat etiective, 1'ilius meritorie, Spiritus Sanctus applicative en, om dit er ineens bij te voegen, fides apprehensive, sacramenta obsignative, opera declarative ').

Maar als de zaligheid des menschen in eene vrije, genadige daad Gods haar oorsprong heeft, dan is het van het allergrootste belang te weten, waarin deze daad bestaat, wat m. a. w. de beteekenis der rechtvaardigmaking is. Op zichzelf is het nu reeds duidelijk, dat deze in niets anders dan in een oordeel, in eene (menschelijk uitgedrukt) veranderde gezindheid en stemming tegenover den mensch kan bestaan. Want als iemand op een ander rechtmatig vertoornd

') De Moor, Comm. IV 562.

Sluiten