Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, kan hij geene oprechte en innige gemeenschap met hem aanknoopen, tenzij hij vooraf zijn toorn afgelegd hebbe en hem weder gunstig gezind is geworden. En zoo is het ook bij den Heere onzen God; Hij heeft in Christus de wereld liefgehad en haar met zichzelven verzoend, hunne zonden hun niet toerekenende, Joh. 3 :16, 2 Cor. 5 :19; ofschoon zijn toorn van den hemel geopenbaard wordt over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen, heeft Hij toch in het Evangelie zijne gerechtigheid zonder wet aan het licht gebracht, Rom. 1: 17, 18, 3:20 v. Deze gerechtigheid Gods staat clus niet tegenover zijne genade, maar sluit ze als het ware in en baant haar den weg; zij drukt uit, dat God, ofschoon Hij naar de wet ons veroordeelen moest, toch in Christus andere gedachten over ons heeft gekoesterd, alle zonden mildelijk vergeeft, zonder iets te verwijten, en in plaats van toorn en straf, goddelijke ontferming en vaderlijk mededoogen ons toekomen doet. De rechtvaardiging is daarom ook geene ethische, maar eene juridische (forensische) daad; zij kan ook geene andere zijn, omdat alle gunstbewijs de gunst, omdat alle weldaad der genade de genade onderstelt. Rome beweert wel het tegendeel; maar het keert daarmede de orde om, maakt Gods gunst van des menschen doen afhankelijk en bouwt met alle nomistische richtingen de religie op de moraal. Voorzoover het tracht, de goede werken toch weer uit eene voorafgaande genade (gratia praeveniens en gratia infusa) te verklaren, komt het met zichzelf in tegenspraak en ziet het zich genoodzaakt, die genadegave weer tot eene vrije beschikking Gods te herleiden, welke op geenerlei wijze door 's menschen verhouding gemotiveerd wordt, maar alleen in het goddelijk welbehagen haar grond vindt.

Bovendien wordt de ethische opvatting der rechtvaardigmaking door de H. Schrift lijnrecht weersproken. Het Hebr. p-nxn duidt die handeling van den rechter aan, waardoor hij een mensch voor onschuldig verklaart, en staat tegenover ma-rti, verdoemen, Deut. 25:1, Job 32 : 2, 33 : 32; van God wordt het zoo gebruikt, Ex. 23 : 7,1 Kon. 8 : 32, 2 Chron. 6 : 23, Jes. 50 : 8. De vergeving der zonden wordt in het O. T. door dit woord nog niet uitgedrukt; deze wordt te kennen gegeven door of is in elk geval vervat onder de woorden verlossen, Ps. 39: 9, 51:16, niet toerekenen, Ps. 32:2, vergeten, niet gedenken, Jes. 43:25, Jer. 31: 34, achter den rug werpen, Jes. 3S : 17, uitdelgen of uitwisschen, Ps. 51: 3,11, Jes. 43:25, vergeven, Ex. 34:9, Ps. 32:1. Het Grieksche woord dixaiovv beteekent in het algemeen: rechten billijk achten, oordeelen wat recht is, en kan dus zoowel in malam

Sluiten