Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Christus' gerechtigheid door het geloof alleen, welke van den beginne aan ook door Luther en Melanchton en in de oudste Luthersche symbolen als eene rechtvaardigverklaring opgevat werd, werd niet formeel gescheiden van, maar samengevat met eene regeneratio van den mensch, daarin bestaande, dat hij door datzelfde geloof vertroost, opgebeurd, vernieuwd en Gode welgevallig werd; wat ook de Form. Conc. weer erkent, als zij zegt: cum enim homo justificatur, id ipsum revera est quaedam regeneratio, quia ex filio irae fit filius Dei et hoe modo e morte in vitiam transfertur l). Ook de Gereformeerden zeiden soms, dat het woord rechtvaardigmaking een ruimeren zin kon hebben en in Jes. 53:11, Dan. 12:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:7, Op. 22:11 zoo verstaan moest worden 2), terwijl anderen ook in al die plaatsen de engere beteekenis van rechtvaardigverklaring vasthielden 3). I nderdaad laat het woord op zichzelf toe, om daaronder heel het werk der verlossing te verstaan. De herschepping is, gelijk ze in haar geheel eene wedergeboorte genoemd worden kan, ook van het begin tot het einde eene rechtvaardigmaking, eene herstelling van den staat en den stand der gevallene wereld en menschheid tegenover God en ten opzichte van zichzelve.

Maar al is deze beteekenis van het woord niet onmogelijk, al is er op zichzelf ook niets tegen, om te meenen, dat de Schrift het woord soms in den zin van heiligmaking gebruikt of deze er althans onder opneemt, exegetisch is dit toch niet waarschijnlijk. Jes. 53:11 zegt, dat de knecht des Heeren door zijne kennis, d. i. per cognitionem sui of ook per cognitionem suam, velen rechtvaardigen zal; de juridische beteekenis is hier niet alleen mogelijk, maar wordt waarschijnlijk door de bijvoeging: en hunne overtredingen zal hij dragen. Evenzoo wordt in Dan. 12:3 van de voorgangers en leeraars van het volk Gods gezegd, dat zij er velen rechtvaardigen, d. i. door hun gerechtigheid, hun trouw aan de wet, voor velen ten voorbeeld zijn, om hen na te volgen en alzoo ook onder de rechtvaardigen gerekend te worden. In 1 Oor. 6 :11 is de juridische

i}i. 1)1_ 614. Verg. Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 274 v. Köstlin, Luthers Theol. II 447. Ritschl, Rechtf. u Vers. III 557. Nitzsch, Ev. Dogm. bl. 583. II alther, Rechtfertigung oder relig. Erlebnis. Leipzig 1904.

2) Thysius, Synopsis pur. theol. XXXIII 3. Curaeus beschouwde de heiligmaking als altera pars iustificationis, Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 312.

3) Witsius, Oec. foed. III 8, 6 v. Mastricht, Theol. VI 6, 19. De Moor, Comm. IV 550. Owen, De rechtv. uit het geloof. Amsterdam 1797 bl. 140.

Sluiten