Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekenis van óixaiovv thans schier algemeen erkend; Paulus herinnert daar de Corinthiërs, dat zij, vroeger aóixoi, afgewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd zijn; blijkens het eerste woord denkt de apostel aan den doop, en de drie begrippen duiden niet aan, dat de Corinthiërs deze weldaden successief, temporeel na elkaar, hebben ontvangen, maar blijkens het herhaalde «//« bevatten zij een climax; toen, in den doop, zijn zij niet alleen negatief van de zonden van hun vorigen wandel gewasschen en positief geheiligd, maar zij zijn ook in een geheel anderen stand, in den stand der dixctioi, geplaatst door een rechterlijk oordeel Gods; en al die weldaden zijn hun deel geworden in den naam van den Heere Jezus xai sv np nvt vaan tov !Jtov rnuiv; ook deze laatste woorden slaan op de rechtvaardiging, welke in Christus haar objectieven grondslag heeft en in den Geest zich aan de geloovigen realiseert '). Tit. 3: 7 bevat geen enkele reden, om van de gewone,, juridische beteekenis van óixaiovv af te wijken. In Op. 22 : 11 verdient de lezing êixKiM^r.zw om de parallelle vormen de voorkeur en beteekent, dat hij die rechtvaardig is, door rechtvaardig te handelen, nog meer als rechtvaardige worde erkend. Zoo ontbreekt dus alle stringent bewijs, dat het woord êixaiovv in de Schrift ooit in ethischen zin wordt gebezigd; doch ook al ware dit eene enkele maal het geval, als er sprake is van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, heeft het altijd eene juridische beteekenis. Hiermede is de zin van het Lat. woord justificare en het Ned. woord rechtvaardigmaken niet in strijd, want de samenstelling met facere, maken, geeft er evenmin eene ethische beteekenis aan als aan de woorden glorificare, magnificare, God grootmaken; rechtvaardigmaking en rechtvaardiging zijn woorden van dezelfde beteekenis.

473. Nu zegt God in zijne wet, dat de rechtvaardige vrijgesproken en de onrechtvaardige veroordeeld moet worden, Deut. 25:1, en aller geweten en rechtsgevoel stemt daarmede in. Zelf handelt God naar dezen regel; Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig en den onschuldige veroordeelt Hij niet, Ex. 20 : 5v., 34. 7, Num. 14: 18. Wie den goddelooze rechtvaardigt en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, ja die beiden. Spr. 17.15, cl. Ex. 23:7, Spr. 24:24, Jes. 5:23. En toch schijnbaar lijnrecht daartegen in en als met zichzelven in tegenspraak,.

') Gl°eh Der H. Geist bl. 149 v. Gennrich, Stud u. krit. 1898 bl. 402 v.

Sluiten