Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rom. 1: 18, 2 : 13, zegt Paulus, dat God den goddelooze rechtvaardigt, 4:5. De mensch heeft n.1. geene gerechtigheid in zichzelven, op grond waarvan hij door God vrijgesproken zou kunnen worden. De Pelagiaanschgezinden, die den grond der vrijspraak vinden in Let geloof, d. i. in de goede gezindheid, de deugden en goede werken van den mensch en deze als volkomen aanmerken, wijl zij den waarborg der volmaaktheid in zich dragen of ook om Christus1 wil door God als volmaakt gerekend worden, komen op alle punten met de leer der Schrift en de Christelijke belijdenis in strijd. Immers, de Schrift getuigt, dat uit de werken der wet geen vleesch kan of zal gerechtvaardigd worden, Jes. 64 : 6, Rom. 3 : 19, 20, 8 : 7, Ef. 2 : 2 enz. De werken, na de rechtvaardiging uit het geloof volbracht, kunnen voor de rechtvaardiging niet in aanmerking komen, wijl alsdan de orde des heils omgekeerd en de rechtvaardiging van de heiligmaking afhankelijk zou gemaakt worden, en ook die goede werken nog altijd onvolkomen en met zonde besmet zijn, niet beantwoordende aan den vollen eisch der Goddelijke wet, Mt. 22 : 37, Gal. 3 : 10, Jak. 2 :10. God als de waarachtige kan niet voor volmaakt houden wat het niet is; als de rechtvaardige en heilige kan Hij van den eisch deiwet geen afstand doen noch met eene halve gerechtigheid, die in den grond geene is, zich tevreden stellen. De Schrift stelt dan ook de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid des geloofs of de gerechtigheid Gods tegenover elkaar, Rom. 10:3, Phil. 3 :9; zij sluiten elkaar uit als werken en geloof, Rom. 3:28, Gal. 2 :16, als loon en genade, Rom. 4:4, 11:6. Terwijl God dus naar de wet den mensch vanwege zijne zonde veroordeelt en veroordeelen moet, heeft het Hem behaagd zijne gerechtigheid, dat is zijne rechtsprekende, en in dit verband nader nog zijne vrijsprekende gerechtigheid op eene andere wijze te openbaren, n.1. zonder wet en wetswerken, enkel en alleen door het Evangelie. Hij stelde n.1. Christus tot een zoenmiddel of zoenoffer en bleek daardoor, zelf rechtvaardig te zijn, en tevens te kunnen rechtvaardigen of vrijspreken dengene, die uit het geloof van Jezus is, Rom. 3 :21—26 '). De offerande van Christus verschafte Hem dus den grond voor zijne vrijspraak van zulken, die goddeloos in zichzelven, toch uit het geloof van Jezus zijn.

In deze openbaring der vrijsprekende gerechtigheid nemen dus

') Verg. boven bl. 191.

Sluiten