Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de persoon van Christus met zijne offerande en het geloof in zijn naam eene gewichtige plaats in. Beide zijn onverbrekelijk vereenigd; de gerechtigheid Gods is in Christus betoond, doordat Hij gesteld werd tot een zoenoffer in zijn bloed, maar Hij is dit dia mavswg, Rom. 3 :25, en menschen worden gerechtvaardigd om niet, uit genade, door middel van de verlossing, die in Christus Jezus is, 3: 24; in één woord de gerechtigheid Gods is gerechtigheid Gods door middel van het geloof in Jezus Christus, 3:22. Maar welke plaats neemt nu elk van beide in Gods gerechtigheid in? Is Christus of is het geloof of zijn beide de grond, de causa materialis of meritoria, van zijne vrijspraak? Afgezien van hen, die Paulus moderniseeren, het geloof als eene goede gezindheid opvatten, die geheel en al buiten Christus en zijne offerande omgaat, en God den wil laten nemen "voor de daad, zijn er slechts twee gevoelens mogelijk. Het eerste is dat van Roomschen, Remonstranten, Rationalisten, Mystieken en ook van vele nieuwere Protestantsche theologen, die onderling nog wel ver uiteenloopen, maar dit toch met elkander gemeen hebben, dat zij het geloof op eene of andere wijze met den persoon van Christus in verband stellende, toch de gerechtigheid, op grond waarvan God den zondaar vrijspreekt, geheel of gedeeltelijk zoeken in den mensch. Die gerechtigheid is dan wel onvolmaakt, maar God laat ze toch voor eene volmaakte gelden, hetzij om den wille van Christus, of omdat zij eene gehoorzaamheid aan Gods wil in het Evangelie is en den mensch Gode aangenaam maakt, of omdat zij in beginsel volmaakt is en den waarborg der toekomstige volmaking in zich draagt.

Maar deze meening kan voor de duidelijke uitspraken der H. Schrift niet bestaan. Ten eerste toch is de gerechtigheid Gods, waarnaar Hij vrijspreekt, objectief in het Evangelie, zonder wetswerken, en vóór het geloof geopenbaard, Rom. 1:17, 3 : 21, evenals de verzoening, welke God tusschen zichzelven en de wereld in Christus heeft tot stand gebracht 2 Cor. 5: 19. God heeft n.1 Christus gesteld tot een iXadvrjQiov, Rom. 3 : 24, en deze Christus

is overgeleverd om onze zonden, 4 : 25, voor ons gestorven, 5 : 6 11,

een vloek geworden, Gal. 3:13, tot zonde gemaakt, 2 Cor. 5:21,' en is alzoo opgewekt om onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, dat is, omdat wij in Hem gerechtvaardigd waren of moesten worden. Hij is dus onze gerechtigheid, 1 Cor. 1:30; en onze gerechtigheid is niet uit de werken, maar uit God, Phil. 3:9, eene gave zijner genade, Rom. 3: 24, 5:15, 16, 17; en wij worden gerechtvaardigd

Sluiten