Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

óice TXfi dnoXvTQuxJewg tijg èv Xqigko Ir^ffov, 3 :34, ev tw aificcri ccvtov, 5 : 9, êv Xqigtm, Gal. 2 : 16. In Rom. 5 : 12v. betoogt Paulus, dat het bij Christus toegaat als bij Adam. Op grond van ééne overtreding zijn alle menschen veroordeeld en den dood onderworpen; maar zoo is ook de genadegave der gerechtigheid in Christus tot óixaiw^ia, d. i. tot een vrijsprekend oordeel voor velen, 5 :16. Door -één <Jixaiwfia toch, d. i. het vrijsprekend oordeel over Christus in zijne opstanding, 4:25, komt het bij alle menschen tot óixatcoaig £corjg, d. i. de daad der rechtvaardiging, welke het leven meebrengt, 5:18. Door de gehoorzaamheid van éénen worden de velen tot rechtvaardigen gesteld, óixatoi xaxaaxaiïrfiovxai, 5:19. Naast de gerechtigheid, welke God in Christus schonk, en op grond waarvan Hij Christus als middelaar des verbonds voor al de zijnen in zijne opstanding rechtvaardigde, is er voor eene gerechtigheid, bestaande in geloof of liefde, geene plaats. De laatste zou de eerste teniet doen.

Ten tweede wordt het geloof nooit als grond der rechtvaardiging voorgesteld. De gerechtigheid, de rechtvaardiging is ex of dia tttOTetog of marei, Rom. 1:17, 3 : 22, 26, 28, 30, Gal. 2 : 16, 3 : 8, 24, Phil. 3 : 9 enz., maar nooit dia niaxiv. "Wel staat Phil. 3 :9, dat Paulus xrjv dia XqiOxov, zrjv sx ïïeov dixaioavvrjv bezat £Tti ttj marei, op grond van zijn geloof, maar de gerechtigheid, welke Paulus bezat, wordt duidelijk omschreven als dia maxewg, e'x 0-eov; alleen zegt hij, dat hij die gerechtigheid Gods voor zichzelven bezat op den grondslag van het geloof. Nooit komt het geloof voor als <le gerechtigheid zelve of als een gedeelte daarvan; integendeel, juist omdat zij naar genade is, is zij uit het geloof. Genade en geloof staan niet tegenover elkander, maar wel geloof en werken, gerechtigheid des geloofs en gerechtigheid uit de werken, Rom. 3:20—28, 4:4—6, 13, 14, 9:32, 10:5, 6, Gal. 2:16, 3:11, 12, 23, 25, 5:4, 5, Ef. 2:8, 9. Het geloof rechtvaardigt niet door zijn wezen of daad, omdat het zelf gerechtigheid is, maar door zijn inhoud, wijl het geloof in Christus, onze gerechtigheid is. Indien het geloof om zichzelf rechtvaardigde, zou het object van dat geloof, n.1. Christus, geheel zijne waarde verliezen. Maar het geloof, dat rechtvaardigt, is juist dat, hetwelk Christus tot voorwerp en inhoud heeft. Indien daarom de gerechtigheid uit de wet, en het geloof een werk was, dat verdienste en waarde had en den mensch Gode aangenaam maakte, dan zou Christus tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2 : 21. Zoo weinig komt het geloof bij de rechtvaardiging

Sluiten