Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als grond ia aanmerking, dat Paulus zeggen kan, dat God den goddelooze rechtvaardigt, Rom. 4:5. Zelfs als zijne leer de beschuldiging uitlokt, dat zij tot zorgeloosheid en goddeloosheid leidt, verdedigt hij zich nooit daarmede, dat het geloof geheel of ten deele de grond der rechtvaardiging is, Rom. 3:5—8, 6 :1, maar houdt hij staande, dat er geene verdoemenis is voor degenen, die in Christus zijn, wijl Christus voor hen gestorven en opgewekt is Rom. 8 : 33, 34.

Ten derde, wijl het geloof dus geen werk is, maar een afstand doen van alle werk, een onbepaald vertrouwen op God, die de dooden levend maakt, Rom. 4:1<, die Christus opgewekt heeft, 4:24, die in Christus eene dixaioffvvrj sx </i-ov gegeven heeft. Phil. 3:9, Rom. 10:3—11, 1 Cor. 1:30, daarom kan de uitdrukking, dat het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, niet beteekenen, dat het zelf als een werk der gerechtigheid in de plaats van of naast de gerechtigheid Gods in Christus door God wordt aangenomen. Het woord Xoyi^ea^cci toch kan wel beteekenen: iemand houden of rekenen voor dat wat hij is, 1 Cor. 4:1, 2 Cor. 12 :6, maar het kan ook den zin hebben van: iemand iets in rekening brengen, wat hij persoonlijk niet heeft. Zoo worden de zonden dengene, die gelooft, niet toegerekend, ofschoon hij ze wel heeft, Rom. 4:8,2 Cor. 5:19, cf. 2 Tim. 4:16; zoo werden zij wel toegerekend aan Christus, ofschoon Hij zonder eenige zonde was, Jes. 53 : 4, 5, 6, Mt. 20 : 28, Rom. 3 : 25, 8:3, 2 Cor. 5 : 21, Gal. 3 : 13,

1 Tim. 2:6; en zoo wordt op dezelfde wijze aan hem, die gelooft, de gerechtigheid toegerekend, welke hij niet heeft, Rom. 4:5, en daarom is dat toerekenen xcera /agiv, 4:4, het is een loyi^eaü-ai <hxuioavvrtv Qig iqymv, 4:6. De woorden: het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn eene verkorte uitdrukking daarvoor, dat God zijne in Christus geschonken gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op dien grond hem vrijspreekt. Dit wordt bevestigd door die andere uitdrukking: ó óixaiog ix marsoog ^asrai. Het geloof is eigenlijk niet principe en bron van het leven, want Christus is het leven en geeft het leven, Rom. 5:17, 18, 6 : 4v.,

2 Cor. 4:10, 11, Gal. 2 : 20, Col. 3 :3, 4, 2 Tim. 1:10, cf. Joh. 1.4, 6 : 33v., 11: 25, 1 Joh. 1:2, 5 : 11 enz. Wie gelooft, die heeft het leven, juist omdat hij het uit Christus ontvangt; en zoo ook, wie gelooft, heeft de óixccioavvrj &eov, welke God in Christus hem ■schenkt.

Daarbij komt ten slotte dan nog, dat, indien het geloof zelf

Sluiten