Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grond der rechtvaardiging is, God met eene mindere gerechtigheid zich tevreden stelt, dan die Hij eischt in zijne wet. Het Evangelie bevestigt dan niet, gelijk Rom. 3 : 31 zegt, maar vernietigt de wet. God doet afstand van zijn eigen gerechtigheid en verloochent zichzelven. Of ook rekent Hij het geloof voor iets, dat het niet is, voor eene volkomene en voldoende gerechtigheid, en doet te kort aan zijne waarachtigheid. De beschuldiging, die door de voorstanders der justitia infusa tegen de justitia imputata ingebracht wordt, dat God iemand houdt voor wat Hij niet is, keert tot henzelven terug; zij juist laten God iets voor gerechtigheid rekenen, wat het niet is. En bovendien nemen zij den troost der geloovigen weg. Indien ons geloof, dat menigmaal zoo klein is en zoo zwak en dikwerf geheel onder twijfel en vreeze wegschuilt, dat volgens de verdedigers van de justitia infusa zelfs geheel verloren kan gaan, indien dat geloof de grond is van onze rechtvaardiging, is het Christelijk leven een leven van voortdurenden angst en onzekerheid; in plaats van naar Christus, wordt het oog des geloofs steeds naar binnen, naar zichzelven, geslagen; een waarachtig, Christelijk leven in den dienst van God wordt onmogelijk, want eerst moet de vreeze voor God als Rechter omgezet zijn in het bewustzijn zijner vaderlijke liefde, eer er van waarlijk goede werken sprake kan zijn.

474. Toch dient het bezwaar, dat tegen de justitia imputata ingebracht wordt, ernstig overwogen te worden. Bellarminus x) ontwikkelde het op deze wijze: de gerechtigheid van Christus, indien alleen ons toegerekend en dus buiten ons blijvend, kan de forma niet zijn, waarin wij voor God gerechtvaardigd worden. Gods oordeel is toch naar waarheid. Hij kan iemand niet rechtvaardig verklaren, die het niet is; zoolang de gerechtigheid van Christus alleen toegerekend is en buiten den mensch blijft, is hij niet rechtvaardig en kan hij niet rechtvaardig verklaard worden. Men zal zeggen : maar de zondaar is toch door het geloof met Christus' gerechtigheid bekleed ! Doch, ofschoon dat zoo zij, indien iemand optreedt in tweeërlei gedaante, in eene forma extrinseca en eene forma inhaerens, dan wordt hij niet naar de eerste, maar naar de laatste genoemd. Laat een Ethiopiër een wit kleed aandoen, hij blijft toch zwart en wordt zoo genoemd, al is hij ook wit naar de forma extrinseca. Ja nog sterker: ook Christus kan in tweeërlei forma

v) Bellarminus, de justif II c. 7.

Sluiten