Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der menschen zich niet bekommert, geene voldoening in Christus behoeft, en alleen bekend moet gemaakt worden, om door den mensch geloofd te kannen worden; en dat geloof is niets anders dan* het afleggen van de dwaling, dat God toornt, en een tot het inzicht komen, dat God eeuwige liefde is. Van deze pantheïstische richting moet scherp onderscheiden worden het gevoelen der zoogenaamde antineonomianen, die in Engeland, Schotland en hier te lande tegen de verandering van het Evangelie in eene nieuwe wet, tegen de opvatting van het geloof als grond of medewerkende oorzaak van onze rechtvaardiging te velde trokken en, van dit standpunt uit, soms kwamen tot de belijdenis eener eeuwige rechtvaardigmaking. Behalve in vele andere leerstukken (over de verkiezing, den persoon en het werk van Christus enz.) bestaat tusschen beide richtingen in de leer der rechtvaardigmaking dit verschil, dat de eerstgenoemden de eeuwige rechtvaardigmaking voor het een en al hielden en voor eene rechtvaardigmaking in den tijd geene plaats meer overlieten -r ze was in zichzelve compleet, had in de eeuwigheid haar volle beslagr en behoefde in den tijd alleen bekend gemaakt te worden x). Maar de in de tweede plaats genoemden zagen in de eeuwige rechtvaardigmaking slechts den aanvang, het beginsel en den grondslag van de rechtvaardigmaking in den tijd; zij werden tot hare erkenning alleen geleid door de zucht, om het Evangelie der genade zuiver te houden en voor alle vermenging met de wet te bewaren; zij kenden daarom aan den naam slechts eene ondergeschikte waarde toe.

Zoo voorgedragen, bevat deze leer van de eeuwige rechtvaardigmaking eene kostelijke waarheid, die door geen Gereformeerde kan of mag of zal geloochend worden2). Want de verkiezing is van eeuwigheid; het pactum salutis, dat de borgtocht van den Middelaar voor de zijnen insluit, is van eeuwigheid 8); alwat in den tijd geschiedt, bepaaldelijk ook het werk der zaligheid, wordt in de Schrift voortdurend tot Gods besluit in de eeuwigheid teruggeleid; de rechtvaardiging zou in den tijd niet plaats kunnen hebben, wanneer ze niet vastlag in de eeuwigheid. Maar daarom verdient het nog geene aanbeveling, om van eene eeuwige rechtvaardigmaking

1) Comrie, Brief over de rechtv. t. a. p. 108 v. Id., Verhandeling over eenige

eigenschappen des zaligm. geloofs. Leiden Donner z. j. bl. 64.

2) Verg. Kuyper, Het werk v. d. H. Geest II 222 v. A. Kuyper Jr., De band

des verbonds. Amst. 1906 bl. 64 v. ./. C. de Moor, De rechtvaardigmaking van

eeuwigheid. Kampen 1905. A. G. Honig, Alex. Comrie. Utrecht 1892.

3) Verg. deel III 221—224.

Sluiten