Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of van eene rechtvaardigmaking van eeuwigheid te spreken. Want de Schriit gaat ons daarin nergens voor *); de Gereformeerde theologen hebben zich daartegen schier eenparig verzet en tusschen het eeuwig besluit der rechtvaardigmaking en de uitvoering daarvan in den tijd onderscheid gemaakt2); en als men zegt, dat de rechtvaardigmaking als actus immanens in God noodwendig eeuwig moet zÜn) ja de rechtvaardigende God zelf is 3), dan moet men bedenken, dat in dien zin genomen alles, ook de schepping, de vleeschwording, de voldoening, de roeping, de wedergeboorte eeuwig is, en dat wie daarom van eeuwige schepping enz. ging spreken, tot groot misverstand aanleiding zou geven 4). Trouwens de voorstanders van dit gevoelen keeren toch zeiven weer op hunne schreden terug, als zij uit vrees voor antinomisme met klem betoogen, dat de eeuwige ïechtvaardigmaking niet de eenige, volle en volkomene rechtvaardigmaking is, maar eene tendentie en strekking heeft, om zich door Gods voorzienigheid naar buiten te realiseeren, zoodat de uitverkorenen dan ook niet van eeuwigheid „dadelijk," dat is actualiter, maar alleen in zijn voornemen en besluit gerechtvaardigd zijn 5). Dit nu komt feitelijk geheel neer op de gewone onderscheiding tusschen het besluit en zijne uitvoering; de raad Gods en alle daarin tot eene eenheid saamgevatte besluiten zijn zonder twijfel eeuwige actus immanentes, maar de werken Gods naar buiten, schepping, onderhouding, regeering, verlossing, rechtvaardigmaking enz. zijn uit den aard der zaak actus transientes; als werken behooren zij niet tot de ratio ordinis, maar tot de executio ordinis °).

\ ooits wordt er dikwerf gesproken van eene rechtvaardigmaking in den dood of de opstanding van Christus. Hiervoor biedt de Schrift vasteren grond, als zij in 2 Cor. 5 :19 getuigt, dat God de wereld met zichzelven in Christus was verzoenende, hunne zonde hun niet toe-

*) De plaatsen, die ervoor aangehaald worden, Rom. 8:30, Ef. 1:3, 5, 9, 2 lim. 1:9, Op. 13:8, missen de noodige bewijskracht.

') Verg. boven bl. 211 v.

3) Comrie, Brief bl. 94.

4) Comrie, Brief bl. 92.

5) Comrie, Brief bl. 108 v. ld., Eig. des geloofs bl. 64.

< >nder de voorstanders van de eeuwige rechtvaardigmaking is er dan nog weer verschil over de orde der decreten. Comrie plaatst de verkiezing voorop, <lan het verbond der genade, daarna de rechtvaardigmaking als eene dervruch ten daarvan, Brief bl. 106 v. Maar volgens Kuyper gaat de rechtvaardigmaking ook zelfs nog in logische orde aan het verbond der genade met zijn Middelaar vooraf, Het werk v. d. H. Geest II 231.

Sluiten