Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om het geloof tegelijkertijd op te vatten als een ontvangend orgaan en als werkzame kracht. Indien de rechtvaardigmaking in ieder opzicht na het geloof tot stand komt, wordt dit eene voorwaarde, eene werkzaamheid, welke vooraf door den mensch volbracht moet worden, en kan het niet zuiver ontvangend zijn. Maar als de gerechtigheid, op grond waarvan wij gerechtvaardigd worden, geheel buiten ons ligt in Christus Jezus, dan kan ze vanzelf de onze alleen worden, doordat wij ze kinderlijk aannemen. Remissio peccatorum est res promissa propter Christum. Igitur non potest accipi nisi sola fide, nam promissio non potest accipi nisi sola fide 1). Het geloof is daarom geen causa materialis of formalis, het is zelfs geene conditio of instrumentum (causa instrumentalis) van de rechtvaardigmaking, want het staat tot deze niet als bijv. het oog tot het zien of het oor tot het hooren; het is geene voorwaarde, waarop, en geen instrument of orgaan, waardoor wij deze weldaad ontvangen, maar het is het aannemen zelf van Christus en al zijne weldaden, gelijk Hij door woord en Geest zich aan ons aanbiedt, en het sluit daarom ook de bewustheid in, dat Hij mijn Heer is en ik zijn eigendom ben. Het geloof is dus geen instrument in eigenlijken zin, waarvan de mensch zich bedient, om Christus aan te nemen, maar het is eene zekere kennis en een vast vertrouwen, dat de H. Geest in het hart werkt en waardoor Hij den mensch overreedt en verzekert, dat hij in weerwil van al zijne zonden, aan Christus en al zijne weldaden deel heeft2).

Maar als dit het zaligmakend geloof is, dan kan het niet eene notitia historiae of een nudus assensus zijn, dan is het van huis uit een levend en werkzaam geloof, en staat het ook niet in elk opzicht tegen alle werk over. Het vormt eene tegenstelling met de werken der wet in dubbelen zin, n.1. daarin dat deze noch de ■causa materialis noch de causa instrumentalis der rechtvaardiging kunnen zijn. Het staat ook tegen de werken des geloofs (justitia infusa, obedientia, caritas) over, zoodra deze ook maar eenigermate beschouwd worden als grond der rechtvaardiging, als geheel of ten deele die gerechtigheid vormende, op grond waarvan God ons rechtvaardigt; want dat is Christus en Christus alleen; het geloof

') Apol. Conf. Ang. bij Muller, bl. 103.

■) Calvijn, Inst. III 11, 5. Heid. Catech. Vr. 61. Ned. Geloofsbel. alt. 22 Syn. Westm. bij Muller, bl. 567. Witsius, Misc. S. II 792, 797 v. Trigland, Antapol. bl. 515. Mastricht, Theol. YI 6, 28. Oicen, De rechtv. uit het geloof c. 3. De Moor, Comm. IV 695. Vitringa, Doctr. III 295.

Sluiten