Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is zelf geen grond der rechtvaardiging en dus ook niet de goede werken, die er uit voortkomen. Maar het geloof staat niet tegenover werk, indien men daarmede zou bedoelen, dat alleen een dood, werkeloos geloof ons rechtvaardigen kan. Want het geschil tusschen Rome en de Reformatie liep niet hierover, of wij door een werkend of door een werkeloos, door een levend of een dood geloof gerechtvaardigd worden. Doch de vraag was evenals voor Paulus, of het geloof met zijne werken, dan wel of het, afgezien van zijne werken, ons voor God en in onze conscientie rechtvaardigt. En voorts staat het geloof ook niet tegenover de werken des geloofs, inzoover deze, als vruchten des geloofs, door den H. Geest als middel gebezigd worden, om den geloovige van de oprechtheid zijns geloofs, en alzoo van zijne zaligheid te verzekeren 1)'. In dezen zin is het geloof zelf een werk, Joh. 6:29, het beste werk en beginsel aller goede werken. Daarom zeiden de Gereformeerden dan ook, dat het wel is fides sola, quae justificat, fides tarnen, quae justificat non est sola 2), en spraken zij na de justificatio peccatoris ook nog van eene justificatio justi. In dezen zin zijn ook Paulus en Jacobus niet met elkander in tegenspraak. Wel is het niet juist te zeggen, dat Paulus alleen van de justificatio peccatoris en Jacobus van de justificatio justi spreekt. Maar beiden ontkennen, dat de grond der rechtvaardigmaking ligt in de werken der wet, en beiden erkennen, dat het geloof, het levend geloof, het geloof, dat goede werken insluit en voortbrengt, het middel is, waardoor de H. Geest ons van onze gerechtigheid in Christus verzekert. Daarbij is er alleen dit verschil, dat Paulus strijd voert tegen doode werken en Jacobus ijvert tegen een dood geloof. Het geloof, dat rechtvaardigt, is de door den H. Geest in ons hart gewerkte zekerheid van onze gerechtigheid in Christus. En daarom, niet hoe lijdelijker, maar hoe levendiger en hoe krachtiger het is, des te meer rechtvaardigt het ons. Het geloof werkt mede met de werken en wordt volmaakt uit de werken, Jak. 2 : 22 3).

x) Heibelb. Catech. vr. 86.

2) Calvijn, 0. R. VII 477. Inst. III 11, 20.

3) Verg. over Paulus en Jakobus: Calvijn, Inst. III 17,11 v. en Comm. op Jak. 2. Turretinus, de concordia Pauli et Jacobi, de satisf. bi. 384 v. Trigland, Antapol. c. 21. Witsius, Oec. foed. III 8, 21—26. M. Vitringa, Doctr. III 317. James Buchanan, The doctrine of justiflcation bl. 491. XJsteri, Stud. u. Krit. 1889, 2'es Heft. Schwarz, ib. 18f'l, 4*es Heft, Böhmer, Neue kirchl. Zeits. 1898 bl. 251—256.

Sluiten