Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakelijk. Als wij volkomen in het geloof stonden, zouden wij nooit twijfelen aan de vergeving onzer zonden, aan ons kindschap, aan de toekomstige erfenis, en zouden wij ook nooit eenige ramp in dit leven opvatten of gevoelen als eene straf, doch alleen als eene kastijding des Heeren. Doch volkomen in het geloof te staan, zou alleen mogelijk zijn, indien wij ook boven de zonde verheven waren. Wijl dit niet zoo is en de zonde altijd weer twijfel medebrengt, daarom blijft bekeering en belijdenis het middel, waardoor God ons wederom tot zijne gemeenschap brengt en van zijne gunst verzekert. Daaruit mag echter niet met Rivetus e. a. afgeleid, dat God telkens slechts de verledene en beledene zonden vergeeft. Immers zijn alle zonden der gemeente op Christus overgedragen en heeft Hij ze alle in zijn bloed verzoend. In de toerekening van Christus aan de uitverkorenen in pactum salutis, vleeschwording en opstanding, in uit- en inwendige roeping wordt Hij met al zijne weldaden hun geschonken. Zoodra zij deze gave Gods aannemen, worden zij ook van hunne zijde in eens in eene nieuwe relatie tot God gesteld, die onveranderlijk en onverbreekbaar is. De werkzaamheden des geloofs mogen een tijd lang ontbreken, onverliesbaar is toch de gave des geloofs, waardoor zij Christus ingelijfd zijn en al zijne weldaden aannemen, Joh. 3 vs. 36, Rom. 8 : 30, Gal. 3 : 27, Hebr. 9 :12,10 : 12, 14 enz. Christus wordt hun ook niet voor een oogenblik bij den aanvang geschonken, maar Hij is en blijft hun Middelaar en dekt met zijne gerechtigheid voortdurend al hunne ongerechtigheid toe┬╗). Hij rechtvaardigt hun persoon, maar ook hunne werken, waarvan de beste nog met zonde bevlekt zijn2). Daarom hebben de geloovigen ook steeds het recht en de vrijmoedigheid, om na iedere struikeling en na eiken val met vertrouwen tot den troon der genade te gaan en te pleiten op de trouw van Hem, wiens genadegift en roeping onberouwelrjk zijn, Rom. 11: 29, Hebr. 4:12, 1 Joh. 1:9; zooals Luther het uitdrukte : quia solus Christus justus est et justitiam habet, nos autem adhuc semper justificamur et in justificatione sumus 3).

Deze weldaad van de vergeving der zonden is zoo groot en

') Perpetuo est mediator, non tantum in principio justificationis, Apol. conf. Ang. bij J. T. Muller bi. J41.

2) Zoo werd soms nog de justificatie onderscheiden, Vermeer, Catech. I 638. Shedd, Syst. Theol. II 547.

3) Ficker, Luthers Vorlesung usw. I 45. Westm. conf. bij F. K. Muller bl. 568: perseverat Deus eorum peccata condonare quos semel justificavit. Verg. verder, Calvijn, Inst. III 11, 11. 14, 11, 12. 20, 19. Voetius, Disp. V 282. Alting, Theol.

Geref. Dogmatiek IV. 1 ft

Sluiten