Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treedt in de Schrift zoo sterk op den voorgrond, dat de rechtvaardigmaking soms daarin geheel schijnt op te gaan. Toch is met haar nog eene andere weldaad verbonden, die even rijk en heerlijk is en die er wel niet van afgescheiden, maar toch onderscheiden mag worden. Het is de toekenning van het recht op het eenwige leven, of de aanneming tot kinderen, door Paulus terstond naast de verlossing van de wet genoemd, Gal. 4 : 5, cf. Dan. 9 : 24, Hd. 26 :18, Op. 1:5, 6. Reeds in het O. T. heet God de Vader van zijn volk en Israël zijn zoon. Maar in het N. T. krijgt dit vader- en zoonschap een veel dieper zin. God is nu, niet in theocratischen, maar in ethischen zin, de Vader der geloovigen, en dezen zijn zijne kinderen, texva, uit Hem geboren, en daarom door het geloof in Christus de ègovaicc verkrijgend, om het te worden, ysvsad-ai, totdat zij het eens volmaakt zullen zijn, wanneer zij God zien zullen gelijk Hij is, 1 Joh. 3:2. Dit ethische kindschap, dat bij Johannes vooral voorkomt, behoort echter hier niet, maar bij wedergeboorte en heiligmaking ter sprake te komen.

Daarentegen spreekt Paulus van de vlod-saicc in juridischen zin. Evenals de geloovigen op grond van Christus1 gerechtigheid de vergeving der zonden oütvangen, zoo worden zij ook tot kinderen, vïoi &sov (niet rexva) aangenomen. Deze vlo&etfia, welke dus op eene verklaring Gods berust, is door Christus verworven, Gal. 4:5, en wordt door het geloof ons deel, 3 :26. Wie van de schuld en straf der zonde is vrijgesproken, wordt daarmede tegelijk tot zoon aangenomen en tot een voorwerp van Gods vaderlijke liefde gesteld. De geloovigen worden daardoor in denzelfden stand geplaatst als Christus, die de eerstgeborene onder vele broederen is, Rom. 8:29. Hij was de Zone Gods van natuur, 8:32, en werd zoo verklaard bij zijne opstanding, 1:3; de geloovigen worden vioi x)tov door aanneming. En evenals Christus bij zijne opstanding tot Zoon Gods verklaard is xaxa nvevfia ayiwffvvtjg, 1:3, en de geloovigen gerechtvaardigd zijn sv ttp TTVfvuazi xov S-eov rjficov, 1 Cor. 6 : 11, zoo worden zij ook door het tzvsv(.icc viotJsGiag tot zonen Gods, Rom. 8:14—16, en daarna ook door dienzelfden Geest van dit hun zoonschap verzekerd, ib. Gal. 4:6. Als zonen zijn zij dan tevens xcct smxyyeXiav xlrjQovono.i, Gal. 3 : 29, 4:7, Rom. 8 :11 ;

probl. nova XVII 10. Witsius, Misc. Sacra II 806—810. M. Vitringa, Doctr. III 313. Comrie, Eigensch. des geloofs bi. 496. F. Kramer, De vergeving der zonden. Kampen J. H. Kok 1910 bl. 69 v.

Sluiten