Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niemand met zekerheid weten kan, dat hij Gods genade verkregen heeft, tenzij door bijzondere openbaring J), en de Roomsche theologen spreken daarom alleen van eene certitudo moralis, conjecturalis ). Möhler zeide, dat het hem in de nabijheid van iemand, die altijd van zijne zaligheid zeker was, im höchsten Grade unheimlich zou zijn, en dat hij de gedachte niet van zich zou kunnen weren, dass etwas Diabolisches dabei unterlaufe 3). Ook de Remonstranten 4) en in later en tijd de Lutherschen 5) bestreden de certitudo fidei, althans voor de toekomst; maar de Gereformeerden beleden de electie en schreven aan het geloof de vaste verzekerdheid der zaligheid toe, welke wel niet uit nieuwsgierige onderzoekingen naar den verborgen raad Gods, maar toch uit de natuur en de vruchten des geloofs door het getuigenis des H. Geestes verkregen kon worden.

Het geloof toch is in zijn aard met allen twijfel in strijd; de zekerheid wordt er niet later van buitenaf aan toegevoegd, maar ligt er van den aanvang af in, en komt er te harer tijd uit voort; het is immers eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Hij getuigt daarin met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom. 8 :15, Gal. 4 : 6, doet de geloovigen roemen, dat niets hen scheiden zal van de liefde Gods in Christus, Rom. 8: 38, en verzekert hen van hunne toekomstige zaligheid, Rom. 8 : 23, 2 Cor. 1: 22, Ef. 1 13, 14, 4: 30. En deze zekerheid des geloofs geeft kracht en steun aan het Christelijk leven. Want dit heeft Ritschl helder in het licht gesteld: bij de Roomschen is de rechtvaardigmaking eene bekwaammaking tot de zedelijke bestemming, bij de Protestanten is zij de herstelling der religieuze verhouding tot God. Deze laatste moet voorafgaan, eer er van een waarlijk Christelijk leven sprake kan zijn. Zoolang wij nog staan tegenover God als Rechter, door de wet het leven zoeken en met vreeze des doods bevangen zijn, is de liefde niet in ons, die de vrucht des geloofs, de vervulling der wet.

1) Conc. Trid. VI c. 9 en can. 13—15, verg. M. Vitringa, Doctr. III 89, 329.

2) Thomas, S. Theol. I 2 qu. 112 art. 5. Bellarminus, de justif. III c. 2 v. Pesch, Prael. dogm. V 200—203. Lombardus, Sent. III 26 zeide: sine mentis aliquid sperare, non spes sed praesumptio dici potest.

*) Möhler, Symbolik bl. 197.

4) Bij M. Vitringa, Doctr. III 91, 330. Episcopius, Op. II 194. Limborch, Theol. Christ. VI c. 7.

5) Köstlin, Luthers Theol. I 29 v. II 469 v. Quenstedt, Theol. III 567. Philippi, Kirchl. Gl. IV 1 bl. 84 v. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 233, 258, 265, II 71. Stahl, Die luth. Kirche und die Union bl. 200 v. 231 v.

Sluiten