Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de band der volmaaktheid is en alle vreeze buitensluit. Maar als in de rechtvaardigmaking de vrede met God, het kindschap, de vrijmoedige toegang tot den troon der genade, de vrijheid van de wet1), de onafhankelijkheid van de wereld ons geschonken is, dan vloeien uit dat geloof de goede werken vanzelve voort. Zij dienen niet, om het eeuwige leven te verwerven, maar zijn van het eeuwige leven, dat elk geloovige reeds bezit, openbaring, zegel en bewijs. Het geloof, dat de zekerheid insluit, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hij dooden levend maakt en de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, stelt altijd tot groote dingen in staat. Het zegt tot den berg: word opgeheven en in de zee geworpen; en het geschiedt alzoo, Mt. 21 : 21 2).

§ 52. Heiligmaking en Volharding.

Litteratuur, voor deze paragraaf in aanmerking komend, werd reeds aangegeven bij het bespreken van het begrip der heiligheid in Oud en Nieuw Testament, deel II 211—218, en in de paragrafen, die handelen over de heilsorde en hare loei. Hier worde nog speciaal genoemd: Hoornbeek, Theol. Practica II 9, 4. Witsius, Oec. foed. III 12. C. van Velzen, Inst. theol. pract. I c. 25 v. Owen, Over den Heiligen Geest, boek IV. Marshall, The Gospel Mystery of Sanctification. Glasgow 1741, ook in het Ned. vert. onder den titel: Evangelische Heiligmaking, s Grav. 1772. Sartorius, Die Lehre v. d. heiligen Liebe 1840-56, deel III. Verschillende artikelen in PRE3: Askese, Ethik, Heiligung, Lohn, Mönchtum, Methodismus, Opus Superog. Vollkommenhelt enz. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott5 1908. Jellinghaus, Das völlige gegenwartige Heil durch Christum5. Berlin 1903, Clasen, Heiligung im Glauben. Mit Rücksicht auf die heutige Heiligungsbeweging, Zeits f. Th. u. K. 1900 bl. 439—488. Gennrich, Wiedergeburt und Heiligung mit Bezug auf die gegenw. Strömungen des relig. Lebens. Leipzig 1908. E. Cremer, Die Heiligung durch den Glauben, Barmen 1902. Id., Ueber die Christl.

*) Verg. over de vrijheid van de wet de later volgende paragraaf over het Woord als genademiddel.

2) Verg. over de certitudo fidei: Calvijn, Inst III 2, 14 v. enz. Acta Syn. Trid. c. antid. C. R. 35, 455. Zanchius, Op. VIII 227. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 8 v. Can. Dordr. I 12. V 9—12. Rivetus, Op. III 470-478. Trigland, Antapol. c. 41. Keckermann e. a. bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 129—131. Hoornbeek, Theol. pract. II 64 v. Love, Theol. Werken 126 v. Erskine, De verzekering des geloofs, Werken, Amst. 1856 VI. Marshall, Evang. Heiligmaking bl. 195 v. M. Vitringa, Doctr. III 89 v. 327 v. Nieuwere litt. in PRE3. XVI 482, 483.

Sluiten