Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vollkommenheit. Gütersloh 1899. Art. Sanctification in Hastings D. B. IV 391 — 395 en Dict. of Christ II 561—566. J. W. Diggle, Short studies in Holiness. London 1900. Kuyper, Het werk van den H. Geest, deel III. Geesink, Van 's Heeren Ordinantiën II eerste' stuk.

477. "Wijl de verlossing, welke God in Christus schenkt en uitwerkt, eene volkomene vrijmaking van de zonde met al hare gevolgen bedoelt, sluit zij met de rechtvaardigmaking ook van den aanvang af de heilig- en de heerlijkmaking in. In den eersten mensch sloot God reeds een verbond met de menschheid, om haar in den strijd tegen het slangenzaad tot de overwinning te voeren. Zoodra Hij met Abram zijn verbond had opgericht, gebood Hij hem, voor zijn aangezicht in oprechtheid te wandelen, Gen. 17 :1. Aan zijn volk Israël gaf Hij eene wet, welke daarin saam te vatten was, dat Israël een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk moest zijn. Ex. 19:6, Lev. 11:44, 19:2, 20:6, 26. Deze heiliging strekte zich tot het gansche volk uit in heel zijn godsdienstig en zedelijk, burgerlijk en maatschappelijk leven, en droeg onder het Oude Testament bepaaldelijk ook een ceremoniëel karakter. Ze hield toch in, dat Israël, afgezonderd van de volken en in bijzonderen zin tot Jhvh in relatie gesteld, in dezen nieuwen stand overeenkomstig de daarvoor gegevene wetten zou leven, en deze wetten waren deels zuiver zedelijk, maar gedeeltelijk ook burgerlijk en ceremoniëel van aard *). Het volk legde al spoedig op deze cultische reinheid den nadruk en verhief zich op zijne uitwendige voorrechten. Maar de profetie kwam daartegen op, drong den eeredienst achteruit en plaatste de religieus-ethische bestanddeelen in de wet op den voorgrond. Gehoorzamen is beter dan slachtoffer, 1 Sam. 15:22; de Heere heeft lust tot weldadigheid en tot kennisse Gods, meer dan tot brandofferen, Hos. 6 :6. Wat eischt Hij anders, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uwen God? Mich. 6:8. En als Israël vanwege zijn arglistig hart en zedelijke onmacht, Jer. 13:23, 17 :9, aan dezen eisch des verbonds niet voldoet en het oordeel zich waardig maakt, dan verkondigen de profeten, dat God desniettemin zijn volk niet vergeten en zijn verbond niet verbreken zal, maar in het laatste der dagen een nieuw verbond zal oprichten, waarin Hij alle overtredingen kwijtscheldt, een nieuw hart en een nieuwen geest in hun binnenste formeert, en hen in zijne wegen doet wandelen; evenals

l) Verg. deel II 215.

Sluiten