Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loon aanspraak gaf. Beide plaatsen passen de algemeene gedachte, dat God ieder vergelden zal naar zijne werken, slechts op een paar bijzondere gevallen toe; schoon de zaligheid aan alle geloovigen geschonken wordt, zal er toch onder hen naar gelang van hunne werken onderscheid in heerlijkheid zijn, Mt. 10 : 41, 18 : 4, 20:16, 25:14v. Er is dus volgens de H. Schrift, zoowel in het Nieuwe als in het Oude Testament een innig verband tusschen heiligmaking en heerlijkmaking; wat hier gezaaid wordt, wordt in de eeuwigheid gemaaid, Mt. 25 : 24, 26, 1 Cor. 15 : 42v., 2 Cor. 9: 6, Gal. 6:7, S. Zonder heiligmaking zal niemand God zien, Mt. 5:8, Hebr. 12:14. Deze wet van het koninkrijk wordt door de genade niet te niet gedaan, maar aan haar ordening dienstbaar gemaakt. De geloovigen zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2: 10. Als kinderen, zijn zij ook erfgenamen Gods en medeerfgenamen van Christus, Hom. 8: 17. Juist omdat zij, wat zij doen, van harte doen, als den Heere en niet den menschen, weten zij ook, dat zij van den Heere ontvangen zullen de vergelding der erfenis, want zij dienen den Heere Christus, Col. 8 : 23, 24_

478. De hooge zedelijke vermaningen, welke wij in het Nieuwe Testament aantreffen, worden in den na-apostolischen tijd herhaald. Alle apostolische vaders en apologeten dringen als om strijd op «en heiligen wandel en een practisch Christendom aan; zij leggen op het leven niet minder nadruk dan op de leer. Tal van deugden werden aanbevolen en in beoefening gebracht, welke ook van den kant der Heidenen bewondering wekten1). Daartoe behoorden inzonderheid trouw in de belijdenis, lijdzaamheid in de verdrukking, reinheid in den wandel, barmhartigheid jegens de ellendigen, waarheid en eerlijkheid in het beroep. De Christenen waren zichzelf bewust, dat zij door deze deugden zich onderscheidden van de wereld en noemden zich het volk Gods, het zaad Abrahams, het ware Israël, het Israël naar den geest, uitverkorenen, geloovigen, broeders, heiligen. Maar gelijk reeds in den tijd der apostelen allerlei dwaling en zonde in de gemeente voorkwam, zoo bleef dit kwaad ook later voortbestaan en verergerde zich sedert de tweede helft der tweede eeuw, toen de gemeente zich uitbreidde en den invloed der haar omringende wereld onderging. De kerk kwam toen voor een moeilijk

i) Verg. Harnack, Mission und Ausbreitung usw. I2 127 v. 334 v.

Sluiten