Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

probleem te staan. De gedachte heerschte eerst vrij algemeen, dat de leden der gemeente, die door den doop in haar schoot waren opgenomen, zich aan geene grove zonden als afgoderij, moord, roof, diefstal, ontucht, tooverij zouden schuldig maken. "Wijl in den doop toch alleen de verledene zonden werden vergeven, kon op daarna volgende zonden niet meer gerekend en vergeving er niet meer op verkregen worden. Doch de werkelijkheid leerde spoedig anders; er kwamen wel terdege gevallen van zulke groote ergernis voor. De kerk deed de leden, die grootelijks gezondigd hadden, door den ban uit haar midden weg, liet ze soms niet meer tot haar gemeenschap toe, en gaf ze over aan de barmhartigheid Gods. Langzamerhand baande zich echter eene lichtere practijk den weg, die dan later tot het Roomsche boetesacrament heeft geleid. Maar daarmede bleef nog de moeilijkheid der minder zware zonden, waaraan de geloovigen zich dagelijks schuldig maken, bestaan. Ze mochten niet zoo zwaar zijn, dat de kerk er de tucht op toepassen kon; ze waren toch zonden, die vergeving behoefden. De vraag werd te ernstiger, naarmate de zware zonden, die den ban waardig maakten, in aantal beperkt werden (afval, moord en ontucht); en ze scheen voor geene oplossing vatbaar, wijl de genade des doops alleen op de vóór dien tijd bedreven zonden betrekking had.

Zoo kwam allengs, ook onder Joodsche en Stoïsche invloeden, de gedachte op, dat van deze lichtere zonden de vergiffenis alleen verworven kon worden door het doen van goede werken, berouw, belijdenis (privaat of publiek), gebed, lijdzaamheid onder de kastijdingen Gods, vasten, aalmoezen enz. x) Het Evangelie der genadewerkte eigenlijk slechts door tot in den doop; wie daarna nog zondigde, kwam onder de wet te staan, en moest zijne eigene zaligheid uitwerken; het geloof, steeds meer als nudus assensus opgevat, leidde tot den doop, maar daarna kwam er de liefde, het goede werk, voor in de plaats; de ethiek werd in aansluiting bij Cicero eene plichtenleer, zooals Ambrosius er bijv. eene voor de ministri schreef. Deze nomistische richting, die het Evangelie opvatte als eene nieuwe wet, werd in sterke mate bevorderd door de autoritair© en hiërarchische ontwikkeling, welke de kerk nam; naarmate het gezag der Schrift op de kerk kwam te rusten en deze ook geboden kon afkondigen, welke den mensch binden in zijne consiëntie, werd gehoorzaamheid aan de kerk de eene, alles insluitende deugd

*) Verg. boven bl. 139 v.

Sluiten