Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reiding is slechts mogelijk met behulp van de gratia praeveniens (actualis), welke bestaat in illustratio mentis et motio immediata voluntatis; maar als de mensch met behulp van deze genade zich voor de gratia infusa voorbereidt, maakt hij zich deze waardig naar een meritum de congruo 1). 4°. Wie na die voorbereiding (of ook als kind, in de kerk geboren, terstond na de geboorte) gedoopt wordt, ontvangt in dit sacrament de gratia infusa, dat is eene qualitas in anima inhaerens, welke den mensch van alle schuld en smet der zonde bevrijdt, hem inwendig vernieuwt en der goddelijke natuur deelachtig maakt. Ze dient niet alleen, om den mensch te genezen maar ook om hem tot de bovennatuurlijke orde op te heffen en werd dus ook aan Adam in het donum superadditum geschonken 2). 5°. Aan deze gratia infusa worden de drie theologische deugden, fides, spes et caritas, toegevoegd3), welke niet vitutes humanae, sed superhumanae vel divinae zijn, dus principiëel verschillen van de virtutes humanae (welke den mensch insunt a natura, secundum aptitudinum et inchoationem, non autem secundum perfectionem, en onderscheiden worden in virtutes intellectuales, n.1. sapientia, intellectus, scientia; prudentia, ars, en in virtutes morales of cardinales, n.1. prudentia, justitia, fortitudo, temperantia), en het laatste en hoogste doel, den finis supernaturalis, tot object hebben 4). 6°. Door deze genade met de haar volgende theologische deugden wordt de mensch in staat gesteld, om bovennatuurlijkgoede werken te doen en daardoor naar een meritum de condigno vermeerdering der genade, het eeuwige leven in de visio Dei en daarin weder een lageren of hoogeren graad van heerlijkheid (corona of nimbus) te verdienen, zooals het concilie te Trente uitsprak, dat de homo justificatus door zijne goede werken waarlijk verdient augmentum gratiae, vitam aeternam, et ipsius vitae aeternae, si tarnen in gratia decesserit, consecutionem atque etiam gloriae augmentum 6). Deze verdienste is dus een verdienste in eigenlijken zin,

') Thomas, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 6. Conc. Trid. sess. VI c. 5, 6.

Verg. deel III 585, 586.

) De Catech. Rom. II 2 qu. 39 zegt: huic autem additur nobilissimus omnium % irtutum comitaüis, quae in animam cum gratia divinitus infunduntur.

4) Verg. over de deugdenleer in de Roomsche theologie: Thomas, S. Theol. II 2. Theol. Wirceb.'3 deel VIII. Antoine, Theol. moralis universa. Venetiis 1793 deel III. M. Caesare, Theol. dogm. III 348 v. Lehmkuhl, Theol. Mor. I 173 v. Pruner, Kath. Moraltheol. bl. 96 v.

6) Conc. Trid. sess. VI can. 32.

Geref. Dogmatiek IV. -* n

Sluiten