Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

479. Dit gansche nomistische stelsel werd door de Reformatie in den wortel aangetast, toen zij in de belijdenis van de rechtvaardiging des zondaars alleen door het geloof hare positie nam. Daarmede was toch in eens heel de orde omgekeerd; de gemeenschap met God kwam niet door 's menschen bemoeiingen, maar enkel en alleen van Gods zijde, door eene gave van zijne genade tot stand, zoodat de religie hare plaats weer vóór de moraal ontving. Als de mensch de vergeving der zonden, de gerechtigheid, het kindschap, het eeuwige leven deelachtig werd door het geloof alleen,' uit genade, om de verdiensten van Christus, dan behoefde hij zich niet meer in te spannen, om al deze weldaden door goede werken te verdienen. Hij bezat ze dan van te voren reeds als eene gave, die hij in het geloof had aangenomen; en de dank en de vreugde, die bij het ontvangen van al deze weldaden zijn hart vervulde, dreef hem tot het doen van goede werken aan, eer hij er nog aan dacht, dat hij ze moest doen. Want het geloof, waarmede hij die weldaden aannam, was geen dood, maar een levend geloof, geen bloote toestemming van eene historische waarheid, maar een persoonlijk, hartelijk vertrouwen op de genade Gods in Christus Jezus. In de rechtvaardigmaking kwam dat geloof natuurlijk alleen van zijne ontvangende zijde voor, omdat het daar uitsluitend aankwam op het aannemen der in Christus aangeboden en geschonken gerechtigheid; maar het was toch van zijn allereersten aanvang af en op datzelfde oogenblik, waarop het rechtvaardigde, tevens een levend, werkzaam, krachtig geloof, dat den mensch vernieuwde en vrede en vreugde uitstortte in zijn hart. Eigenlijk was het dan ook niet het geloof, dat rechtvaardigde en heilig maakte, maar het was de ééne, ongedeelde en ondeelbare Christus, die zichzelven door het geloof tot gerechtigheid en tot heiligmaking schonk, die van Gods zijde ons toegerekend en medegedeeld werd, en dien wij daarom in dat geloof van den beginne af bezitten als een Christus vóór ons en als een Christus in ons. Het geloof was van huis uit beide tegelijk: een ontvangend orgaan en eene werkzame kracht; eene hand, die de aangebodene gave aanneemt, maar die ook naar buiten werkt in dienst van den wil; een band aan de onzienlijke dingen en eene overwinning der zienlijke wereld; religieus en ethisch in één.

In de Gereformeerde theologie is dit nog beter dan in de Luthersche beseft en gehandhaafd, want het geloof kwam hier op uit de wedergeboorte en ging met voortdurende resipiscentie gepaard. Bij het doen van die goede werken heeft de geloovige dan ook

Sluiten