Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baar aan de zonde. In God zijn gerechtigheid en heiligheid niet te scheiden; Hij haat de zonde geheel en al, niet alleen zooals zij schuldig stelt, maar ook zooals zij onrein maakt. De daden Gods in rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn onafscheidelijk verbonden; ovg ós èóixccicoffev, rovrovg xcci tóo*a<rev, Rom. 8:30; de óixaiuxrig brengt mede, 5:18; wie door God is

gerechtvaardigd en aangenomen tot zijn kind, deelt terstond in zijne gunst en begint onmiddellijk te leven. Voorts heeft Christus niet alleen voor de zijnen de zonde gedragen en de wet vervuld, maar Hij kon dit alleen doen, wijl Hij al in verbondsrelatie tot hen getreden was en dus hun hoofd en middelaar was. In Hem waren al de zijnen begrepen; en met en in Hem zijn zij zeiven gestorven, begraven, opgewekt en in den hemel gezet, Rom. 6 . 2 11, 2 Cor. 5 : 15, Gal. 2 : 20, Ef. 2 : 5, 6, Col. 2 :12, 3 :1 enz. Christus is hunne óixaioavvrj, maar in denzelfden zin ook hun uyiaauog, 1 Cor. 1: 30, d. i. niet hunne heiligheid, dyioirjg, ayiw<svvrh maar hunne heiligmaking. Christus nl. heeft door zijn lijden en sterven niet slechts de gerechtigheid aangebracht, op grond waarvan de geloovigen door God vrijgesproken worden. Maar alzoo heeft hij ook die heiligheid verworven, waardoor Hij hen Gode wijden en van alle smet der zonde reinigen kan, Joh. 17:19. Zijne gehoorzaamheid tot den dood toe bedoelde toch de verlossing in hare gansche uitgestrektheid, aTcokvTQoxjtg, niet alleen als loskooping uit de rechtsmacht der zonde, Rom. 3:24, Ef. 1: 7, Col. 1:14, maar ook als bevrijding van haar zedelijke heerschappij, Rom. 8:23, 1 Cor. 1: 30, Ef. 1:14, 4 : 30. Daartoe schenkt Christus zichzelven aan hen niet alleen objectief in de rechtvaardigmaking, doch Hij deelt zichzelven ook subjectief mede in de heiligmaking, en vereenigt zichzelven met hen op geestelijke, mystieke wijze.

Deze unio mystica wordt door de Lutherschen steeds van de anthropologische zijde beschouwd, en komt dan natuurlijk eerst na rechtvaardigmaking en wedergeboorte in het dadelijk geloof tot stand !). Maar de theologische behandeling van de Gereformeerden leidde tot een andere opvatting. De unio mystica heeft haar aanvang reeds in het pactum salutis; vleeschwording en voldoening onderstellen, dat Christus hoofd en middelaar des verbonds is; het verbond komt niet eerst na Christus of ook na de overtuigende en wederbarende werkzaamheid des H. Geestes tot stand; maar Christus

Schneckenburger, Vergl. Darst. I 185 225

Sluiten