Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stond zelf in het verbond, en alle werkzaamheid des Geestes als Geest van Christus geschiedt uit en in het verbond. Er is toch geene gemeenschap aan de weldaden van Christus dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De toerekening en schenking van Christus aan de zijnen staat voorop, en onze inlijving in Christus gaat weer vóór de aanneming van Christus en zijne weldaden door het geloof. Oprecht leedwezen over de zonde, hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, toevlucht nemen tot Christus enz., zijn daden en werkzaamheden, welke het leven en dus de unio mystica onderstellen en daaruit voortvloeien. Deze vereeniging der geloovigen met Christus is eenerzijds geene pantheïstische vermenging van beide, geene unio substantialis, gelijk zij door het mysticisme van vroeger en later tijd opgevat is; maar zij is toch aan den anderen kant ook geene loutere overeenstemming in gezindheid, wil en bedoeling, zooals het rationalisme ze verstond en Ritschl ze weer verklaard heeft1). "Wat de Schrift van deze unio mystica ons zegt, gaat veel dieper dan eene zedelijke overeenstemming in wil en gezindheid; zij verklaart uitdrukkelijk dat Christus in de geloovigen woont en leeft, Joh. 14 : 23, 17 : 23, 26, Rom. 8 :10, 2 Cor. 13 : 5, Gal. 2 : 20, Ef. 3 :17, en dat zij in Hem zijn, Joh. 15 :1—7, Rom. 8:1,1 Cor. 1: 30, 2 Cor. 5 :17, Ef. 1: lOv.; beiden zijn vereenigd als rank en wijnstok, Joh. 15, hoofd en leden, Rom. 12 :4, 1 Cor. 12 :12, Ef. 1: 23, 4: 15, man en vrouw, 1 Cor. 6 : 16, 17,. Ef. 5 : 32, hoeksteen en gebouw, 1 Cor. 3 :11, 16, 6 :19, Ef. 2 : 21, 1 Petr. 2:4, 5 2). Deze unio mystica is echter niet onmiddellijk^ maar komt tot stand door den H. Geest. En ook in Hem ligt het verband vast tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking. De Geest, dien Jezus aan zijne discipelen beloofd en in de gemeente

■) Ritschl, Theol. u. Metaph. 1881. Rechtf. u. Vers III2 106, 552 v. Gesch. dea Pietismus. 3 Bde 1880—86 passim. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott5 1908. Gottschick, Luthers Lehre v. d. Gein. des Glaubigen mit Christus, Zeits. f. Th. u. K. 1898 bl. 406.

2) Verg. over de unio mystica in de Geref. theologie behalve Boquinus e. a. bij Heppe, Dogm. des d. Prot. II 372, Calvijn, Inst. III 11, 5. Martyr, Loei C. 259. Polanus, Synt. Theol. VI 35. Amesius, Med. Theol. I c. 26. Voetius, Disp.

II 459. Mastricht, Theol. VI c. 5. Witsius, Misc. S. II 788. M. Vitringa, Doctr.

III 78. Comrie, Catech. vr. 20—23. Kuyper, Het werk v. d. H. Geest II 163, en voorts nog Pfleiderer, Der Paulinismus- 214 v. Krebs, Ueber die unio mystica. Marburg 1871. Weiss, Das Wesen des pers. Christenstandes, Stud. u. Krit. 1881 bl. 377—417. Deissmann, Die neutest. Formel fv Xo. Irjoov. Marburg 1892.

Sluiten