Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgestort heeft, is n.1. niet alleen een Geest der vio&eeuz, die de geloovigen van hun kindschap verzekert, maar ook de Geest deivernieuwing en der heiligmaking. Deze Geest heeft Christus zelf bekwaamd tot zijn werk en Hem geleid van zijne ontvangenis at tot zijne hemelvaart toe. Door zijne vernedering is Christus verhoogd aan 's Vaders rechterhand, verheerlijkt tot levendmakenden Geest, verwerver en uitdeeler van den Geest, die nu zijn Geest, de Geest van Christus is. Door dezen Geest vormt en bekwaamt Hij ook zijne gemeente. De allereerste gave, welke de geloovigen ontvangen, wordt hun reeds medegedeeld door den Geest, die alles uit Christus neemt, Joh. 16:14. Hij is het, die hen wederbaart, Joh 3-5 6 8 Tit. 3: 5, het leven schenkt, Rom. 8:10, in de gemeenschap met Christus inlijft, 1 Cor. 6 :15, 17, 19, tot het geloof brengt 1 Cor. 2 : 9v., 12 : 3, wascht, heiligt, rechtvaardigt, 1 Cor. 6-11 ' 12 • 13, Tit. 3 : 5, leidt, Rom. 8 :14,' Gods liefde in hunne harten uitstort, Rom. 5 : 5, in hen bidt, Rom. 8 : 26, allerlei deugden, Gal. 5 :22, Ef. 5:9, en gaven, Rom. 12 : 6, 1 Cor. 12 : 4, vooral de liefde 1 Cor. 13, hun meedeelt, hen leven doet naar eene nieuwe wet, de wet des Geestes, Rom. 8 : 2, 4, 1 Cor. 7 : 9, Gal. 5 : 6 6 : 2, hen vernieuwt in verstand en wil, naar ziel en lichaam, Rom. 6:19, 1 Cor. 2 :10, 2 Cor. 5 :17, 1 Thess. 5: 23; in één woord, de H. Geest woont in hen, en zij leven en wandelen in den H. Geest, Rom. 8: 1, 4, 9—11, 1 Cor. 6:19, Gal. 4:6 enz.1).

481 In dezen zin is de heiligmaking, even goed als de rechtvaardiging, eene gave en een werk Gods, beurtelings toegeschreven aan den Vader, Joh. 17:17, 1 Thess. 5:23, Hebr. 13: 20, 21, den Zoon als nvsvfia Zooonoiovv, 1 Cor. 15 : 45, Ef. 5 : 26, Tit. 2 .14, en vooral ook, gelijk boven bleek, aan den H. Geest, Tit. 3 : 5, 1 Petr. 1: 2. De geloovigen zijn daarbij passief, zij worden geheiligd, Joh. 17 : 19, 1 Cor. 6:11, zij ziju met Christus gestorven en opgewekt, Rom. 6: 4v., zij zijn r)yiaafisvoi èv Xmacc, Irjffov, 1 Cor. 1 : 2, Gods nolWa, Ef. 2:10, x«tf«s, 2 Cor. 5: 17, Gal. 6:15, %or, Rom l4: *20; ra ós navra i* tov &eov, 2 Cor. 5:18. Deze heiliging bestaat allereerst hierin, dat de geloovigen van de wereld afgezonderd worden en in eene bijzondere relatie tot God komen te staan. In het O. T. duidde heiligheid die verhouding van God tot zijn volk

1) Verg. deel III 571 v., boven bl. 73 en voorts nog Pfleiderer, Der Paulinismus225 v. Holtzmann, Neut. Theol. II 143 v.

Sluiten