Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en van het volk tot God aan, welke in de verschillende wetten omschreven en geregeld was 1). Ook in het K T. heeft het begrip heilig deze beteekenis van eene relatie behouden. Er is sprake van heilige stad, Mt. 4: 5, heilige plaats, 24:15, heilig verbond, Luk. 1: 72, heilig land, Hd. 7 :33, heilige Schrift, Rom. 1:2, heilige berg, 1 Petr. 1:18, heilige profeten, Luk. 1: 70, heilige olferande, Rom. 12 : 2; van Christus wordt gezegd, ofschoon Hij zonder zonde was, dat Hij zich heiligde, d. i. zich in zijn dood Gode tot eene heilige offerande voor de zijnen opofferde, Joh. 17:19; en zoo heeten de geloovigen met een staand epitheton uytoi} omdat zij door de roeping, cf. Rom. 1: 7, 1 Cor. 1:2, xkrjroi ayiot, in eene bijzondere verhouding tot God staan en, in de plaats van het oude Israël, ytvog txZtxiov, flaGthttov isQarsv/ia, i&vog ayiov, Xaog tig tisqiTToir^aiv, zijn, 1 Petr. 2 : 9.

Maar deze verhouding is geen louter uitwendige; dat was zij al niet onder het O. Test., want krachtens die heiligheid had God zich verbonden, om Israël zijn verbond en wet te geven, om het te redden of ook te kastijden, en was Israël verplicht, om in Gods inzettingen te wandelen. Nu is in het H. T. de wet in Christus vervuld; zij regelt dus de heiligheidsverhouding niet meer, welke tusschen God zijn volk bestaat. Voor de wet is Christus in de plaats getreden; in en door Hem regelt God de verhouding tusschen zich en zijn volk; de geloovigen zijn ijtaöiifvoi tv Xniairo Iijgov, 1 Cor. 1:2; en deze heiligt zijn volk door den H. Geest, tv nvtvfian, 1 Cor. 6:11, die nu als zoodanig nvtv^icc uyiov heet en het principe der heiliging is. Deze heiliging bestaat volstrekt niet alleen daarin, gelijk velen het thans voorstellen 2), dat de Christenen van de wereld afgezonderd en Gode in uitwendigen, cultischen zin toegeëigend zijn; maar zij heeft eene diepe ethische beteekenis. Immers, de H. Geest wederbaart, reinigt, vernieuwt, Joh. 3:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:5; met de inwoning des H. Geestes begint voor de geloovigen eene xaivorrjg £cotjg, Rom. 6 : 4, welke eene tegenstelling vormt met den vroegeren wandel in allerlei zonden en ongerechtigheden, 1 Cor. 6:10, Ef. 2:1; zij zijn thans nieuwe menschen, 2 Cor. 5 : 17, Ef. 2 : 10, 4:24, Gal. 6 :15, Col. 3:10, die Gode leven en hunne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid tot heiligmaking, Rom. 6. De relatie tot God in Christus door den II. Geest brengt mede, dat de geloovigen van

') Deel II 211—218.

-) Bijv. Paul Wernle, Der Cbrist und die .Sünde bei Paulus 1897 bl. 31,39, 62.

Sluiten