Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle schuld en ook van alle smet der zonde bevrijd zijn. En daarom bestaat de heiliging in bet N. T. ten volle daarin, dat de geloovigen den beelde des Zoons gelijkvormig worden gemaakt, Rom. 8 :29, Gal. 4:19. In zoover valt de heiliging met de heerlijkmaking saam; deze begint niet eerst na dit leven, maar neemt terstond met de roeping een aanvang; die Hij riep, rechtvaardigde Hij, en die Hij rechtvaardigde, verheerlijkte Hij in datzelfde oogenblik, Rom. b : 80. En deze verheerlijking zet zich door heel het leven heen voort, 2 Cor. 3:18, totdat zij voltooid wordt in de wederkomst van Christus, 1 Cor. 15 : 49, 51v., Col. 3 : 4, Phil. 3 : 21.

De heiligmaking gaat echter in deze passieve zijde niet op; zij is wel in de eerste plaats een werk en eene gave Gods, Phil. 1: 5, 1 Thess. 5:23, waarbij de mensch lijdelijk is evenals in de wedergeboorte, waarvan zij de voortzetting is. Maar op grond van dit werk Gods in den mensch, krijgt ze in de tweede plaats eene actieve beteekenis, en wordt de mensch zelf geroepen en bekwaamd, om zich te heiligen en zijn gansche leven Gode te wijden, Rom. 12 :1, 2 Cor. 7 :1, 1 Thess. 4 : 3, Hebr. 12 :14 enz. Feitelijk valt deze actieve heiligmaking met de resipiscentia continuata saam, die volgens den Heid. Catech. in de afsterving van den ouden en de opstanding van den nieuwen mensch bestaat. Maar in de bekeering treedt de negatieve, in de actieve heiligmaking de positieve zijde op den voorgrond. In beide is de mensch zelf werkzaam, en hij kan dat zijn, omdat hij door de wedergeboorte in den aanvang en door de positieve heiligmaking bij den voortgang de kracht des H. Geestes ontvangt, om al zijne leden Gode te stellen tot wapenen der gerechtigheid. De Schrift houdt altijd beide vast: Gods alwerkzaamheid en onze verantwoordelijkheid. Evenals bij de prediking van het Evangelie het geloof een gave Gods is en toch de mensch voor zijne houding tegenover Gods roeping verantwoordelijk is, bv. Rom. 9:1—29 en 9 : 30—10 : 21, zoo wordt hier het bezit van alle weldaden des verbonds, vergeving, kindschap, leven, zaligheid vóór alle werk zeker gesteld, en toch telkens met zooveel ernst op goede werken aangedrongen, alsof die weldaden eerst daardoor verkregen moesten worden. Het koninkrijk Gods is eene gave, door God naar zijn welbehagen geschonken, Mt. 11:26,16:17, 22:14, 24:22, Luk. 10.20, 12 : 32, 22 :29, en toch is het een loon, een schat in de hemelen, die met inspanning gezocht en door arbeid in den dienst Gods verworven moet worden, Mt. 5 :12, 20, 6 : 20, 19 : 21, 20 : lv. enz. De geloovigen zijn ranken aan den wijnstok, die zonder Christus

Sluiten