Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niets kunnen doen en worden toch vermaand, om in Hem, in zijn woord, in zijne liefde te blijven, Joli. 15; zij zijn uitverkorenen, en moeten toch zich benaarstigen, om hunne roeping en verkiezing vast te maken, 2 Petr. 1:10; zij zijn door de ééne offerande van Christus geheiligd en volmaakt, Hebr. 10: 10, 14, in wie God werkt hetgeen Hem welbehagelijk is, 13 :21, en toch moeten zij in het geloof volharden ten einde toe, 3:6, 14, 4:14, 6:11, 12; zij hebben den nieuwen mensch aangedaan en moeten Hem steeds aandoen, Ef. 4:24, Col. 3:10; zij hebben het vleesch gekruisigd met de begeerlijkheden en moeten toch hunne leden dooden, die op de aarde zijn, Gal. 5 : 24, Col. 3 :10; zij zijn heiligen en geheiligden in Christus Jezus, en moeten toch heilig worden in al hunnen wandel, 1 Petr. 1:15, 2 Petr. 3 :11, en hunne heiligmaking najagen en voleindigen in de vreeze Gods, 2 Cor. 7 :1, 1 Thess. 3:13, 4:3 want zonder haar zal niemand den Heere zien, Hebr. 12 :14.

Velen hebben tusschen deze al werkzaamheid Gods in de genade en de daarnaast gehandhaafde zelfwerkzaamheid des menschen eene tegenstrijdigheid gezien, de Schrift van innerlijke tegenspraak beschuldigd, en voor zichzelven de eene groep van uitspraken aan de andere ten offer gebracht. Van de eene zijde werd geleerd, dat de genade alleen dient, om de wilskracht ten goede bij den mensch te herstellen en hem zelf aan den arbeid te zetten; goede werken waren dan beslist ter zaligheid noodzakelijk, hetzij necessitate meriti (Rome), hetzij necessitate causalitatis en efficientiae (Remonstranten) 1). En van antinomiaanschen kant werd gezegd, dat de gerechtigheid en heiligheid van Christus, niet alleen in de rechtvaardigmaking maar ook in de heiligmaking, geheel objectief buiten den mensch bleven, zoodat berouw, bekeering, gebed om vergeving en goede werken geheel onnoodig waren, een wettisch karakter droegen en aan de volkomen offerande van Christus te kort deden2).

M. Vitringa, Doctr. III 369—374.

2) Verg. deel III 603 en boven bl. 210 v. In hoever Kohlbrugge tot dit antinomiaansch gevoelen overhelde, wordt breedvoerig en onpartijdig uiteengezet door J. van Lonkhuyzen, H. F. Kohlbrugge 1905 bl. 437-513. Daar K. de heiligmaking doorgaans opvatte als een overgezet worden op het gebied der genade, in het element der heerlijkheid Gods, (verg. deel III 385, 446), kon hij rechtvaardigmaking en heiligmaking, verandering van staat en van toestand niet duidelijk onderscheiden. Zelfs als hij van eene innerlijke heiliging sprak, bleef deze toch eigenlijk nog altijd als eene macht buiten en tegenover het ik des menschen staan; de mensch zelf was en bleef een goddelooze. Er mag hier ook nog herinnerd worden aan hen, die in navolging van Ritschl de rechtvaardiging opvatten als

Geref. Dogmatiek IV. jy

Sluiten