Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Lutherschen trachtten beide uitersten te vermijden en voerden onderling over het al of niet gepaste van de uitdrukking: bona opera necessaria esse ad salutem, een langdurigen en heftigen strijd; sommigen verdedigden ze, maar anderen achtten ze verderfelijk en gingen zoover, dat ze goede werken noxia en perniciosa voor de zaligheid noemden. De Formula Concordiae veroordeelde zoowel de eene als de andere uitdrukking, en verklaarde alleen, dat de goede werken in de geloovigen indicia aeternae salutis zijn, daar het Gods wil en uitdrukkelijk gebod is, dat de geloovigen goede werken doen, welke de Geest in hunne harten werkt en God in dit en het toekomende leven om Christus1 wil aanneemt en beloont *). De Gereformeerden oordeelden gematigder, zagen in den strijd der Lutherschen een woordenstrijd en konden het groote verschil niet inzien tusschen de verworpen zegswijze: bona opera necessaria esse ad salutem, en eene andere, welke door sommige Lutheranen als Quenstedt, Buddeus e. a. werd goedgekeurd: bona opera salvandis esse necessaria. Zij hadden er geen bezwaar in, om de goede werken noodzakelijk ter zaligheid te noemen, mits daarbij niet gedacht werd aan eene necessitas causalitatis vel meriti vel efficientiae, maar aan eene necessitas praesentiae, medii et viae ad salutem aeternam obtinendam 2). Voetius meende zelfs, dat de goede werken in zekeren zin causa vitae aeternae genoemd kunnen worden, n.1. geen causa meritoria maar praeparativa et dispositiva 3).

Zoo sprekende, hadden zij ongetwijfeld de Schrift op hunne hand. "Want deze houdt ons de heiligmaking voor, beide van hare passieve en actieve zijde, en predikt de eene zoowel als de andere met denzelfden nadruk. Zij ziet tusschen beide geen tegenspraak of strijd, maar bindt ze zoo innig mogelijk saam, als ze zegt, dat de geloovigen, juist omdat God in hen werkt het willen en het werken, huns zelfs zaligheid moeten uitwerken met vreeze en beven, Phil. 2 : 12,13.

Zij zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken,

welke God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2:10. God en mensch, religie en moraal, geloof en liefde, geestelijk en zedelijk leven, bidden en werken zijn daarom geene tegenstelling. Afhankelijkheid valt hier met vrijheid saam; de ge-

een xreligiöses Erlebnis," en tot de daarin genoten vrede en vreugde de wedergeboorte herleiden, verg. boven bl. 51. 208.

1) T. Miiller, Die svmb. Bücher bl. 632.

2) M. Vitringa, Doctr. III 359, 367 v.

3) Voetius, Disp. V 675 v.

Sluiten