Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is volgens Protestantsche belijdenis geene verstandelijke toestemming van eene historische waarheid, maar eene practische kennis van de genade, welke Hij in Christus heeft geopenbaard, een vertrouwen des harten, dat Hij al onze zonden vergeven en ons tot zijne kinderen aangenomen heeft. Dit geloof is daarom niet alleen bij den aanvang, in de rechtvaardiging, noodig; maar het moet den Christen vergezellen zijn gansche leven door, en bekleedt ook in de heiligmaking eene blijvende en door niets anders te vervullen plaats; ook bij deze weldaad is het uitsluitend het geloof, dat zalig maakt.

Indien toch de gerechtigheid en de heiligheid uit de wet waren, zouden wij ze beide door het doen van goede werken tot stand moeten brengen. Maar in het Evangelie zijn ze eene gave Gods, in den persoon van Christus ons geschonken, Joh. 1: 17, 1 Cor. 1 : 30, Ef. 1:3, Col. 2:3, 9. Gelijk Christus met al zijne weldaden ons van Gods zijde alleen door en in den Geest wordt medegedeeld, zoo kan Hij van onze zijde alleen door het geloof ontvangen en genoten worden. Het is door het geloof, dat Christus in onze harten woont, Ef. 3:17, en dat wij leven in Christus, Gal 2: 20, dat wij kinderen Gods worden, Gal. 3 : 27, en de belofte des Geestes verkrijgen, Gal. 3:1-4, dat wij de vergeving der zonden en het eeuwige leven ontvangen, Rom. 4:6, Joh. 3: 16. Door het geloof te leven is de keerzijde daarvan, dat Christus in ons is, 2 Cor. 13 : 5, Gal. 2 : 20. Het geloof is dus het ééne, groote werk, dat de Christen in de heiligmaking naar de beginselen van het Evangelie te volbrengen heeft, Joh. 6 : 29; het is het middel der heiligmaking bij uitnemendheid. Daartoe is het ook krachtens zijne natuur in staat. "Want het ontvangt eerst, en kan daarna ook geven; het ontsluit het hart voor de genade Gods, voor de gemeenschap met Christus, voor de kracht des H. Geestes, en maakt daardoor tot groote dingen bekwaam; het breekt alle zelfvertrouwen, en klemt zich aan Gods belofte vast; het laat de wet in al haar hoogheid staan en denkt er niet aan, om het zedelijk ideaal te verlagen, het ziet ook af van alle poging, om door haar onderhouding het leven en den vrede te vinden, maar het grijpt Gods barmhartigheid aan en steunt op de gerechtigheid en heiligheid, welke voor den mensch in Christus aangebracht zijn; het kweekt ootmoed, afhankelijkheid, vertrouwen, schenkt troost, vrede, vreugde door den Heiligen Geest, werkt dankbaarheid in het hart voor de ontvangene weldaden en drijft tot goede werken aan; het doet den geloovige met Paulus zeggen: ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft, Phil. 4:13. In één woord, het

Sluiten