Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenlijk liggen buiten en boven de zedewet, doet aan hare eenheid en algemeenheid te kort en trekt haar tot een lager standpunt neer.

483. Dit komt trouwens bij alle voorstanders van eene dubbele moraal daarin uit, dat zij allen vroeger of later komen tot de leer van de volmaakbaarheid der heiligen, van de verdienstelijkheid der goede werken, en van de overdraagbaarheid der verdiensten. Het perfectionisme is aan schier alle nomisten eigen '), en kreeg in den laatsten tijd, wat de Schriftleer betreft, van onverwachte zijde steun. Ritschl n.1. merkte het eerst op, dat Paulus zelf, nadat hij bekeerd was, geen bewustzijn van onvolmaaktheid had, en ook over die van de geloovigen in het geheel niet reflecteert 2). Anderen werkten deze gedachte, uit en beschuldigden den apostel zelfs van een onpractisch idealisme, dat onder den indruk van Jezus' spoedige wederkomst bij de geloovigen aan geene zonden dacht 3). Er ligt in deze bewering eene waarheid, die niet miskend mag worden. De Schrift kan schier geene woorden genoeg vinden, om de heerlijkheid te beschrijven van het volk Gods. Zij noemt Israël in het O. T. een priesterlijk koninkrijk, door God uitverkoren, voorwerp zijner liefde, zijn deel en erve, zijn zoon en knecht, volmaakt van schoonheid door de heerlijkheid Gods, Ex. 19:5, 6, Deut. 7: 7 v., 32:6, S, 9, 18, Jes. 41:8, Ezech. 16:14 enz.; en de geloovigen in het if. T. zijn het zout der aarde, Mt. 5:13, het licht der wereld, vs. 14, uit God geboren en zijne kinderen, Joh. 1:12, 13, zgn uitverkoren geslacht en koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2 : 9, 10, der Goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1:4, gezalfd met den

;; Verg. boven bl. 253 v., 262 v. en voorts De Moot-, Comm. IV 805 v. 31. Yitringa, Doctr. III 3S5—414. Lemme, art. Vollkommenheit in PRE3 XX 733. en ook Zöckler, art. Perfectionisten of Oneida Kommunisten in Amerika, PRE3 XV 130.

*) Eitschl, Rechtf. u. Vers. II 365 v.

*) Scholz, Zur Lehre vom «Armen Sünder", Zeits. f. Th. u. K. 1896 bl. 463 v. Clemen, Die ChristL Lehre v. d. Sünde I 109 v. Holtzmann, Neut. Theol. II 150. vooral Wernle, Der Christ und die Sünde bei Paulus 1897. Maar Wernle is op zijn gevoelen teruggekomen. Toen //. TVtni&isch, Die Entsündigung des Christen nach Paulus. Leipzig 1908 en Taufe und Sünde im altesten Christ. bis auf Origenes. Ein Beitrag z. altchr. Dogmengesch. Tübingen 1908 zijne theorie overnam en uitwerkte, schreef ernle daarvan eene beoordeeling, waarin hij erkende, dat deze theorie buiten het leven omgaat en met het practisch karakter der oudchristelijke geschriften geene rekening houdt, Th. Lit. Zeitung 1909 col. 586— 590. \ erg. ook Ihmels, Die tagliche Vergebung der Sünden. Leipzig 1901, en 31. 31eyer, Der Apostel Paulus als armer Sünder. Gütersloh 1903.

Sluiten