Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H. Geest, 1 Joh. 2 :20, door Christus gemaakt tot koningen en priesters, Op. 1:5, niet kunnende zondigen, 1 Joh. 8:9, 5:18 v. enz. Wie de leer der Schrift over zonde en genade verwerpt, kan in dit alles slechts overdrijving zien; eene radicale verandering als wedergeboorte en heiligmaking is dan noch noodig noch begrijpelijk. Maar de Schrift oordeelt anders; zij geeft aan de gemeente eene hooge plaats, noemt haar met de schoonste namen en schrijft haar eene heiligheid en heerlijkheid toe, welke haar Gouegelijkvormig maakt. Deze heerlijkmaking der gemeente, welke met de wedergeboorte een aanvang neemt, is echter evenzeer een voorwerp des geloofs als de rechtvaardigmaking. Dat de gemeente in Christus schuldvrij voor G-ods aangezicht staat, is even zwaar te gelooven, als dat zij door den H. Geest in beginsel geheiligd, verheerlijkt en den beelde des Zoons gelijkvormig is gemaakt. Beide zijn evenzeer met den schijn der dingen in strijd; beide behooren tot die zaken, welke men niet ziet en die alleen zeker zijn voor het geloof. De Schrift weet dat ook zelve. In weerwil toch van de heerlijke beschrijving, welke zij geeft van den stand der geloovigen, beschouwt zij dezen toch als zondaren en verzwijgt hunne overtredingen en hunne schuldbelijdenis niet, bijv. bij Abraham, Gen. 12 .11, Izak, 26:7, Jakob, 26:35, Mozes, Num. 20:7—12, Ps. 106:33, David, Ps. 51 enz., Salomo, 1 Kon. 8:46, Spr. 20:9, Jesaja, cap. 64:6,

Daniël, cap. 9 : 4 enz.

En ook Paulus weet, dat hem, als hij het goede wil doen, het kwade bijligt. Wel is hij zich steeds helder bewust van de groote verandering, welke met hem heeft plaats gegrepen. Hij is met Christus der wereld gekruisigd, en hij leeft thans zelf niet meer, Christus leeft in hem. Hij is vrij van de wet, staat rechtvaardig voor God, is van zijn kindschap verzekerd, roemt in de genade, door welke hij alles vermag, stelt zichzelven ten voorbeeld, draagt roem op zijn apostolischen arbeid en is zich van zijne trouwe ambtsvervulling bewust, bijv. Rom. 15:17, 1 Cor. 4:3, 9 : 15, 15 : 30, 31, II 1 : 12, 6 : 3, 11 : 10, Phil. 2:16, 1 Thess. 2:10, 19. Maar desniettemin belijdt hij, dat hij in het vleesch leeft, Gal. 2:20, dat het vleesch steeds begeert tegen den Geest, Gal. 5 :17, dat in zijn vleesch geen goed woont, Rom. 7 :18, en dat hij de volmaaktheid nog niet heeft verkregen, Phil. 3:12. Vooral Rom. 7 :7—26 is in dit opzicht van groote beteekenis '); hoezeer de reformatorische exegese van deze plaats in

!) Verg. reeds deel III 65.

Sluiten