Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aankleven. De Corinthiërs zijn nog vleeschelijk, 1 Cor. 3: 1 4, de Galatiërs zijn ongehoorzaam, Gal. 5:7v., in de Colossers is het goede werk wel begonnen, maar niet voleindigd, Col. 1: 6, ja, hun leven is nog met Christus verborgen in G-od, 3:3. In Rom. 6 zegt Paulus niet, dat de geloovigen zondeloos zijn, maar betoogt hij, dat het geloof in Christus zich met een leven in de zonde niet verdraagt; en daarom vermaant hij hen juist, om hunne leden Code te stellen tot wapenen der gerechtigheid, Rom. 6 :13. Zonder telkens op de rechtvaardigmaking terug te komen, die eens uit en door het geloof geschied is, dringt hij er op aan, dat de geloovigen dezen hunnen nieuwen stand in een wandelen naar den Geest openbaren

en bewijzen zullen.

En daarbij verdient dit dan nog onze opmerkzaamheid, dat de Schrift, schoon altijd de onvolmaaktheid van den geloovige onderstellende, toch nooit den eisch der wet verzwakt of aanpast aan de practijk. De voorstanders van de volmaakbaarheid kunnen dien nooit handhaven, halen de zedewet naar beneden en maken tusschen doodzonden en vergefelijke zonden of tusschen zonde doen en zonde hebben en zoo ook tusschen aardsche en hemelsche, relatieve en absolute volmaaktheid, onderscheid. Maar de Schrift doet alzoo niet en handhaaft den vollen, onkreukbaren eisch der wet: weest heilig, want Ik ben heilig, 1 Petr. 1: 16, weest volmaakt, gelijk uw Yader in de hemelen, Mt. 5:48, Jak. 1:4; de geloovigen moeten Christus navolgen, die geene zonde gedaan heeft, 1 Petr. 2 : 21 v., Ef. 5 :1, en in den dag van Christus uvsyxlrjzoi, eilixgiveig, cctiqogxotioi, a^isfinroi, «,uwfiot zijn, 1 Cor. 1:8, Phil. 1:10, 2 : 15, Col. 1: 22, 1 Thess. 3 .13, 5 : 23. Met allen ernst en zonder ophouden worden zij daarom opgewekt tot een heiligen wandel. De vermaningen, die door heel de Schrift heen en inzonderheid bij de apostelen in hunne brieven aan de gemeenten voorkomen, zijn het sterkste bewijs, dat zij aan eene zondeloosheid der geloovigen niet denken, maar overal en altijd hun gebrek en tekortkoming onderstellen. Zoolang zij in dit leven zijn, hebben zij strijd te voeren tegen den satan, wereld en eigen vleesch; dat vleesch begeert steeds tegen den Geest en de Geest tegen het vleesch, en deze staan tegenover elkander, alzoo dat zij niet doen hetgeen zij willen, Gal. 5 : 17 1).

i) Verg. over dezen strijd tusschen vleesch en geest, die noch in antinomiaanschen zin opgevat, noch met dien tusschen rede en wil, plicht en neiging vereenzelvigd mag worden, mijne Magnalia Dei bl. 559 v., en voorts de werken, genoemd door M. Vitringa, Doctr. III 412.

Sluiten