Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed, dat alle goederen omsluit, de Eeuwige, tot wien al het eindige wederkeert. Op dat einddoel gericht, krijgt alles zijne bepaalde plaats, het gebed en het gebod, de godsdienst en de zedelijkheid, het aardsche en het hemelsche beroep, de natuur en de cultuur; alle schepsel heeft zijne relatieve zelfstandigheid en alle saam zijn ze ondergeschikt en bevorderlijk aan de glorie van Hem, uit wien en door wien en tot wien alle dingen zijn. Zoo heeft Calvijn in principe de vita Christiana opgevat; hij moge daarin wat al te negatief, te puritanistisch en te rigoristisch zijn geweest; ascetisch, dualistisch was hij niet. De geloovigen behooren niet zichzelven maar Gode toe, en hebben daarom matig, rechtvaardig en vroom in deze tegenwoordige wereld te leven.

Eindelijk ten vijfde verspreidt deze organische beschouwing licht over het verband, dat er tusschen dit en het toekomende leven bestaat en dat in de Schrift menigmaal onder het beeld van werk en loon wordt voorgesteld. Voor loon in letterlijken en eigenlijken zin, gelijk een heer dat aan zijn knecht uitbetaalt en uitbetalen moet, is hier geene plaats. Ook Rome erkent dat, als het het verband tusschen werk en loon op dit zedelijk gebied niet laat opkomen uit de natuur der zaak maar laat rusten op eene vrije beschikking Gods. Doch ook onder deze beperking kan het loon hier niet in eigenlijken zin genomen, maar moet het als een beeld beschouwd worden. Reeds in het aardsche leven zijn er vele verhoudingen tusschen menschen, op welke de categorie van werk en loon niet past, en die toch wel van den eenen kant een dienst en van de andere zijde eene belooning insluiten. Als een zoon zijn vader bijstaat in den arbeid, als een arts een ernstigen patiƫnt geneest, als een soldaat zich opoffert voor het vaderland, als kunstenaars den roem van hun volk verhoogen, als uitvinders en ontdekkers zich verdienstelijk maken jegens de menschheid, dan ontvangen zij eere en worden zij menigmaal met dankbetuigingen en loftuitingen, met eereteekenen en standbeelden beloond. Maar wie denkt hier aan werk en loon in de oeconomische beteekenis van het woord? Wanneer deze categorie dus op zedelijk gebied wordt overgebracht, dan krijgt ze daardoor vanzelf reeds een anderen zin, dan dien wij er in het dagelijksch leven aan hechten. En dit is nog te meer het geval, wanneer ze wordt toegepast op de verhouding, waarin het schepsel tot zijn Schepper staat. Want God kan en behoeft in eigenlijken zin niet van menschenhanden gediend te worden, alzoo Hijzelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft, Hd. 17 : 25, cf. Job 41 : 2, Rom. 11: 35,1 Cor. 4 : 7.

Sluiten