Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat wij rechtvaardig zijn, of gewin, dat wij onze wegen volmaken? Job 22 : 3. Als wij alles gedaan hadden, wat we schuldig waren te doen, zouden we nog slechts cïovloi u'/qsioi zijn, slaven van wie de heer meer schade dan voordeel had, Luk. 17:10. Maar nu dit zelfs het geval niet is, nu de allerheiligsten nog maar een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid hebben, nu hunne beste werken nog gebrekkig en onrein zijn, en zij alles wat zij als geloovigen zijn en hebben en doen aan Gods genade dank weten, nu ligt hunnerzijds alle gedachte verre aan een loon, dat is aan verdienste, welke in waren, eigenlijken zin op loon recht zou geven. Welk kind van God durft deze gedachte in zich laten opkomen, ze uitspreken voor Gods rechterstoel? Heel iets anders is het echter, als God van zijne zijde, de zaligheid en heerlijkheid, die Hij aan zijne kinderen wil schenken, onder het beeld van loon en belooning hun voor oogen stellen wil. En dat doet Hij inderdaad door heel de Schrift heen. Hij doet dat, om zijne kinderen, die als zoodanig ook reeds erfgenamen zijn, aan te sporen, te bemoedigen, te troosten. Hij stelt de hemelsche zaligheid hun voor onder vele beelden, als eene stad, als een vaderland, als eene eeuwige rust, als eene kroon, als eene erfenis, als een kampprijs, als een loon. Maar wie durft dit laatste beeld nu exploiteeren ten eigen bate en roemen in eigen verdienste? De onverderfelijke en onbevlekkelijke en ODver• welkelijke erfenis, die in de hemelen voor ons bewaard wordt, is geen loon, gelijk dat aan knechten naar evenredigheid van hunne verdiensten uitbetaald wordt, maar eene belooning, welke de hemelsche Vader uit genade aan zijne kinderen schenkt. Die belooning is een van de vele motieven voor het zedelijk handelen, maar hoegenaamd geen regel of wet, want deze ligt in Gods wil alleen. Bijkomend motief mag ze echter zijn, omdat deugd en geluk, heiligheid en zaligheid volgens het getuigenis der conscientie innerlijk samenhangen, gelijk ook door Kant werd erkend; in de zaligheid komt ook de heiligheid zelve tot haar hoogste en rijkste ontplooiing1).

J) M. Vitringa, Doctr. III 373—384. Kim, art. Lohn in PRE3 XI 605—614. Kirchner, Der Lohn in der alten Philosophie, im burger). Recht, bes. im N. T. Giitersloh 1908. C. Stange, Der eudamonistische Gedanke der Christl. Ethik, Neue Kirchl. Zeits. 1907 bi. 135—156. Freytag, Der Lohngedanke im Evang., Die Studierstube. Jan. en Febr. 1909. Verg van Roornsche zijde ook: Kneïb, Die Heteronomie" der Christl. Morai. Wier. 1903. Id,., Die »Lohnsucht" der Christl. Moral 1904 en ld., Die »Jenseitsmoral" im Kampfe um ihre Grundlagen. Freiburg 1906.

Sluiten