Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met haar is vereenigd, Joh. 15:1 v., 17:21, 23, 1 Cor. 6:15, 12 : 12 —27 Gal. 2 : 20 , en door zijnen Geest in haar woont, Hom. 6 : 5,' 8 : 9—11, 1 Cor. 6 :15v., Ef. 3 :17 enz. In zoover is de bewering juist, dat de algemeene sxxXiqaia aan de plaatselijke gemeenten voorafgaat'), zij is wel niet het historische, maar toch het logische prius 2); elke plaatselijke gemeente is het volk Gods, het lichaam van Christus, op het fundament van Christus gebouwd, 1 Cor. 3: 11, 16, 12:27, omdat zij daar ter plaatse datzelfde is, wat de gemeente in haar geheel is, en Christus voor haar is, wat Hij voor de gansche gemeente is 3). In de verschillende plaatselijke vergaderingen der geloovigen komt de ééne gemeente van Christus tot openbaring. Haar wezen ligt, zoo voor het geheel als voor elk der deelen in het bijzonder, daarin, dat zij het volk Gods is, Rom. ■9 : 25, 2 Cor. 6 :16, 18, Tit. 2 :14, Hebr. 8 :10,13 :12,1 Petr. 2 : 9,10, bestaande uit menschen, die den Heere toegedaan en tot Hem bekeerd zijn, Hd. 5 :14, 14:15, die den naam van discipelen, broeders, uitverkorenen, geroepenen, heiligen, geloovigen dragen, Hd. 1:15, 6:1, 9:1, 32, Rom. 1: 7, 1 Cor. 1:2 enz. In den ruimsten zin is sxxürjaia de vergadering van al het volk Gods, op aarde niet alleen maar ook in den hemel, Hebr. 12 :23, in het verleden en heden niet slechts, doch ook in de toekomst, Joh. 10:16, 17:20.

487. Deze geestelijke eenheid der gemeente van Christus treedt ook nog in den na-apostolischen tijd gedurig op den voorgrond. De Christenen zijn de heiligen, de uitverkorenen, zij hebben een God, één Christus, één Geest der genade, ééne roeping 4). De kerk is een toren, die met den rots Christus één steen vormt, uit welken de steenen, die onrein en zwart zijn en niet passen, verwijderd worden, het geslacht der rechtvaardigen, waarvan de goddeloozen worden afgezonderd 5). De Christenen zijn de ziel der wereld 6), het ware Israël, het gezegende volk Gods 7); zij zijn allen priesters s),

Sohm, Kirchenrecht bl. 20.

2) Holtzmann, Neut. Theol. II 177.

3) Zalm, Einl. in das Neue Test I3 359.

4) Clemens Rom., 1 Cor. 46.

4) Hermas, Sim. IX 6, 7, 13, 17, 18.

Ep. ad. Diogn. 6. i) Justinus, Dial. c. Tryph. 116, 123, 135. s) Irenaeus, adv. haer, IV 8, 3. Tertullianus, de exh. cast. 7.

Sluiten