Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden. Idee en werkelijkheid, wezen en verschijning werden daardoor los naast elkander gesteld. De geloovigen vormden eene onzichtbare ecclesiola in de zichtbare ecclesia 1).

Met de Luthersche leer van de kerk komt de Gereformeerde in hoofdzaak overeen, maar zij vertoont toch enkele niet onbelangrijke eigenaardigheden. Ten eerste neemt het instituut der kerk er eene eenigszins andere plaats in. Luther verstond onder de kerk wel de communio sanctorum, maar zocht toch hare eenheid en heiligheid meer in de objectieve instellingen van ambt, woord en sacrament, dan in de subjectieve gemeenschap der geloovigen, die dikwerf zoo veel te wenschen overliet. Zoo werd de kerk meer en meer een Goddelijk instituut, dat de eenheid en heiligheid der geloovigen realiseeren moest. In denzelfden geest omschreef Melanchton in de Loei van 1543 de kerk als coetus vocatorum en zeide, dat wij nee alibi electos ullos somniemus, nisi in hoe ipso coetu visibili. Latere Luthersche dogmatici vonden er een verschilpunt in, dat volgens hunne leer de uitverkorenen niet extra coetum vocatorum te zoeken zijn en volgens de Gereformeerden ook daarbuiten konden voorkomen. En werkelijk is het Gereformeerde leer, dat God wel ordinarie de weldaden van Christus schenkt door middel van woord en sacrament, maar toch daaraan niet gebonden is en, zij het dan ook rarissime, de zaligheid verleent buiten het instituut der kerk om 2). Ten tweede brachten de Gereformeerden de kerk ten nauwste met de verkiezing in verband en vatten daarom hare onzichtbaarheid dikwerf anders dan de Lutherschen op. Zwingli liet eerst wel de onzichtbaarheid slaan op de ecclesia universalis, die over de gansche aarde verspreid was en daarom door niemand empirisch kon waargenomen worden, in tegenstelling met de ecclesia particularis, die op eene bepaalde plaats aanwezig en zichtbaar is. Maar later verstond hij onder de ecclesia invisibilis de gezamenlijke uitverkorenen, gelijk zij in de twaalf artikelen voorwerp des geloofs is en eerst bij de parousie zichtbaar

*) Verg. behalve de boven deze § reeds genoemde litteratuur, verder nog Schultz, Das protest. Dogma v. d. unsichtbaren Kirche, Jahrb. f. prot. Theol. 1876 bl. 673 — 690. Krauss, Das protest. Dogma v. d. uns. K. Gotha 1876 bi. 80 v. Rietschel, Luthers Anschauung von der Unsichtbarkeit und Sichtbarkeit der Kirche, Theol. Stud. u. Krit. 1900 bl. 404—456. Bleibtreu, Die evang. Lehre v. d. unsichtb. und sichtb. Kirche. Tiibingen 1903.

-) Calvijn, Inst. IV 16, 19. TJrsinus, Expl. catech. qu. 21. Bucanus, Inst. theol. bl. 400. Gomarus, Theses theol. XXX 29.

Sluiten