Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sommigen stelden de kerk als de gemeenschap van alle uitverkorenen op den voorgrond en noemden deze de ecclesia invisibilis J). "V\ ijl echter de uitverkorenen, die nog niet leven of nog niet geroepen zijn, alleen potentia leden van de kerk kunnen heeten, lieten anderen deze idee van de kerk rusten en gingen uit van de kerk als vergadering aller electi et vocati2). Dan moest men daarbij echter terstond onderscheiden tusschen ware geloovigen en hypocrieten en ging daarom spreken van ecclesia stricte en latius dicta, van het esse de ecclesia en het esse in ecclesia, of ook wel van ecclesia invisibilis en visibilis 3). Dit leidde in verband met het bederf, dat in de kerk intrad, tot de onderscheiding van twee kringen of groepen van menschen in de ééne kerk 4), en bracht velen in de achttiende eeuw er toe, om een uit- en een inwendig verbond naast elkander te stellen, om de forma externa en interna van de kerk te scheiden en om de leer te verkondigen, dat ook onbegenadigden, indien zij onergerlijk leefden, ware leden van de kerk konden zijn en rechtmatige aanspraak hadden op hare goederen en weldaden5). Tervergeefs trachtten daartegenover anderen de eenheid der kerk te handhaven, door te zeggen, dat onzichtbare en zichtbare kerk twee zijden waren van dezelfde zaak 6), de leer klopte hoe langer hoe minder op het leven. En dit was voor de Gereformeerde beschouwing van de kerk te ernstiger, wijl zij veel minder dan de Lutherschen in het instituut het wezen der kerk zag. "Want, en dat is een derde onderscheid, hetwelk later duidelijker in het licht zal treden, de Gereformeerden zochten het kenmerk der ware kerk ook wel in de zuivere bediening van woord en sacrament, maar zij voegden gewoonlijk daaraan nog de kerkelijke tucht en den Christelijken wandel toe; de verkiezing was de grondslag der kerk, maar werd eerst in het geloof en de goede werken openbaar 7).

Cat. Genev. bij E. F. Karl Muller, Bekenntnisschriften bl. 126. Conf. Scot. I 16 Conf. Westm. 25. Alsted, Theol. did. schol. bl. 590 enz.

2) Basil. I 5. Helv. I 15. Catech. Heid. 54. Belg. 27. Helv. II 17. Gomarus, Theses theol., disp. 30. Polanus, Synt. Theol. 530. Martyr, Loei 390.

3) Ursinus, Explie. catech. op qu. 54. Alsted, Theol. did. schol. bl. 598. Heidegger, Corpus Theol. XXYI 29 enz.

4) Turretinus, Theol. El. XVIII 3, 3, 24.

5) Verg. deel III 227.

6) Walaeus, Synopsis 40, 34. Turretinus, Theol. El. XVIII 7, 4. Mastricht, Theol. VII 1, 11. 13. Appelius, De Herformde leer 1769 bl. 300 v.

'J Verg. verder voor de Geref. leer van de kerk de boven deze § aangehaalde

Sluiten